home
Home

 

persoonlijk
Persoonlijk

 

muziek
Muziek

 

geofictie
Geofictie

 

Muka
Muka

 

verhalen
Verhalen

 

foto's
Foto's

 

colofon
Colofon

English (Engels)Roemenië en Turkije 1992

Op weg

Waarom we voor Roemenië gekozen hebben, weet ik echt al niet meer. Wat wisten we van dat land? De reis was bezegeld met de aanschaf van Meindl schoenen en met bezoekjes aan de ambassades van Bulgarije en Roemenië. Bij de ambassade van Roemenië had iedereen alleen maar om doorreisvisa gevraagd. Wij waren de enigen die er wilden blijven.
     Maar uiteindelijk besloot Aline om toch nog af te zien van de vakantie. Ik vond dat ik wel een vakantie verdiend had, en had weinig zin om mijn vakantie af te zeggen. Tegen dat liften in mijn eentje zag ik toch een beetje op. Samen met Aline ben ik mijn interrail gaan kopen, en heb ik een reservering naar Curtiçi gemaakt (wist ik veel). In een luxe Duitse trein vol interrailers, op weg naar Hongarije. Over drie weken hebben we een afspraak in Verviers.

Ik stap over in Düsseldorf of zoiets, op de trein naar Budapest. Benieuwd of ik het nog herken. Zou er echt zoveel veranderd zijn in Hongarije? Met de nachttrein scheur ik door Duitsland, op weg naar het vroegere IJzeren Gordijn. En eindelijk zal ik weer eens de Donau te zien krijgen.
     Heel vroeg in de ochtend rijden we door Oostenrijk. Wat prachtig! En wat een zegen dat ik niet uit hoef te stappen. Imposante bergruggen, kleine bruggetjes over bergstroompjes, door het water afgesleten stenen langs de oevers, kleine huisjes op de hellingen, klingelende koeiebellen, ach, wat prachtig. De trein staat heel erg lang stil in Wenen. Het zal een uur of vijf zijn in de ochtend. Geslapen heb ik nog maar nauwelijks. Dan rijdt de trein weg, achteruit, om vervolgens op het spoor ernaast het station weer binnen te lopen. Tjonge, jonge, goed zeg.
     Bij mij in de coupé zitten twee Joegoslavische vrouwen, moeder en dochter. Ze hebben dezelfde namen (vergeten), ook grootmoeder heet zo. Dochter is vreselijk dik en zuipt grote blikken Duits bier. Over de oorlog hebben we het nauwelijks. Ze komen uit Slovenië, daar was op dat moment nauwelijks iets te merken van een oorlog. Maar beiden kennen ze vrienden die waren overleden, en naar vader durf ik niet te vragen. God, wat vreselijk.
     Uren en uren later rijden we Hongarije binnen. De douane kijkt even naar mijn pasfoto, en zet een onleesbaar stempel in mijn paspoort. Meer niet. Dat had in 1987 ook niet gekund, zeg! Vijf jaar terug was ik voor het laatst in Hongarije, toen nog communistisch. Er was nog strenge controle, het doorzoeken van de coupé's, het vragen naar valuta, fouilleren van de reizigers, uitgebreide pascontrole... Ik kan me herinneren toen met de trein eeuwig te hebben stilgestaan in the middle of nowhere.
     Ik schrik wakker als de trein al op het station van Budapest staat. Budapest is inderdaad vreselijk veranderd. Buiten word ik, nog maar nauwelijks wakker, overvallen door een bende piccolo's, die me allemaal een youth hostel aanbieden. Maar mijn trein naar Roemenië vertrekt over twee uur of zo. Ik heb net tijd om een kaartje naar Aline te sturen.
     De ruime stationshal is geheel ingenomen door winkeltjes, die in een cirkel rond elkaar gebouwd zijn. Het doet me zelfs denken aan het station van Kopenhagen. Zo snel als er uiterlijk iets kan veranderen... Ik ga wat inkopen doen, en merk dat er woekerprijzen gevraagd kunnen worden. Maar de winkeltjes die verder weg zijn, hebben goedkopere spullen (het marktmechanisme ten voeten uit), en ik koop een fles water, twee stevige broden, en een ansichtkaart. Als er iets is waar ik deze vakantie bang voor ben, is het wel dat brood. Altijd heb ik wel iets te eten in mijn rugzak, en altijd koop ik wel iets extra's. Voor noodgevallen.
     Werkelijk alles is te koop binnen het station: eten, drinken, speelgoed, jeugdherbergen, ansichtkaarten, een pen, enveloppen, briefpapier... maar voor een postzegel zal ik toch echt naar het postkantoor moeten. Natuurlijk. Dat geldt voor zo'n beetje alle landen behalve Nederland. Joost mag weten waarom. En dus loop ik met mijn rugzak om naar buiten. Poe. Lekker weer zeg. Ook buiten is direct te zien dat het communistisch regime is verdwenen. De straten zijn vuiler geworden, en er rijden zowaar buitenlandse auto's. Op de daken van de gebouwen in het centrum is lichtreclame aangebracht voor Coca-Cola, Mercedes, Sony.
     Het is flink heet. Aan een oud vrouwtje op de trappen van het station laat ik mijn ansichtkaart zien, en wijs op de plek waar de postzegel moet komen. Ze snapt het direct, en zegt me dat ik haar moet volgen. Ze brengt me een heel eind op weg, en is erg vriendelijk, hoewel we geen woord van elkaar verstaan. Binnen word ik vrijwel onmiddellijk geholpen, ik hoef nauwelijks in een rij te staan, en een vriendelijk meisje achter het loket plakt de postzegel er voor me op. Ik hoef hem niet eens zelf te posten.
     Dan ga ik toch mijn trein naar Roemenië maar eens zoeken. Ik koop nog wat fruit buiten (zelfs dat vind ik al een raar gezicht), en het zweet loopt in straaltjes tussen mijn rug en mijn rugzak naar beneden als ik het station weer binnenloop. Een verder weg gelegen spoor hebben ze niet. Een bouwvalliger spoor ook niet. En over de staat van de trein zal ik het maar helemaal niet hebben. Houten banken, kapotte ramen, verlichting, asbakjes. Moet ik hiermee naar Roemenië? Blijft dit de hele reis heel? De betrekkingen tussen Hongarije en Roemenië zijn niet bijster goed.
     De trein zit lang niet vol. En ik zie in mijn wagon maar drie mensen die er westers uitzien. Een moeder en twee kinderen denk ik. We rijden tergend langzaam door het landschap en staan vaak stil. Hogere snelheden dan zo'n zestig kilometer per uur worden niet gehaald, en zelfs dat maar soms. Er komen situaties voor dat we een half uur lang in volkomen verlaten land staan te wachten op niets.
     Met het sukkelvaartje krijg ik de kans wat naar buiten te staren. Plotseling lijkt heel Hongarije vol te staan met villa's. Op de plekken waar geen villa's staan, worden villa's gebouwd. En allemaal hebben ze een schotelantenne en een auto voor de deur. Mercedes, maar ook Rolls-Royce. Zeker lekker weer hier.
     Als de conducteur langskomt, blijkt dat de mijn wagon niet naar Roemenië doorgaat. Alleen de eerste twee wagons. Ik sta op, en loop naar voren. Geen westerling te zien. De drie mensen uit mijn wagon die er westers uitzien, volgen mij. Ze spreken Duits. Het stelt gerust; ze moeten blijkbaar ook naar Roemenië. Ik zeg een paar woorden tegen zoonlief, als binnenkomer. In de wagon voor Roemenië zijn coupé's, en ik kies een lege uit. Wie wil er nu naar Roemenië...? De staat van deze wagon is nog slechter dan de vorige. Die was Hongaars, deze Roemeens.
     Het land wordt steeds minder dicht bevolkt. Over graanvelden zie ik machtige combines oogsten, stereotiep communistisch. De trein rijdt nog steeds met dezelfde sukkelgang, het gaat tergend langzaam. Ik heb een mooie kaart van de Balkan gekocht, en concludeer dat we nu vlak bij de Roemeense grens zijn. Plaatsnamen als Hódmezövásárhely of Mezökovácsháza zeggen genoeg. Het begint al te schemeren.
     Vlak voor de grens wordt het plotseling druk. Ook in mijn coupé gaan twee mensen met een kinderwagen zitten. Er zijn wel honderd mensen bijgekomen. Waar komen die vandaan? Wat raar... Het zijn allemaal Hongaren (of Roemenen?), en het zijn overwegend gezinnetjes of echtparen. De trein gaat er niet sneller door rijden. Ik probeer een gesprek met mijn medereizigers aan te knopen, maar we begrijpen elkaar absoluut niet.
     Het wordt allemaal nog iets gekker; vlak vóór de grens stappen al die mensen weer uit. Sommigen schudden de hand van de machinist (mijn wagon zit vlak achter de locomotief). Het lijkt er niet op of die mensen inkopen gaan doen, laat staan dat ze dat hebben gedaan. Ik heb werkelijk geen flauw idee waar ze allemaal heengaan. Het dorpje waar ze uitstappen heeft lang niet genoeg huizen voor hen allemaal.
     De trein rijdt verder. Buiten is het al donker, en stapvoets rijden we op Roemenië af. De Hongaarse douane is ondertussen op de trein gekomen, en controleert vluchtig. Weer zo'n onleesbaar stempel. Dan sukkelt de trein Roemenië binnen. Curtiçi is niets meer dan een douanepost met een paar huizen. Echt alleen een grenspunt. De trein is omgeven door douaniers, politie, leger en spoorwegpersoneel. Overal uniformen, geweren, pistolen, machtsvertoon, vervallen huisjes, stof, puinhopen.
     Vlak voor de eigenlijke grens stopt de trein weer. Er wordt een gasfles ingeladen naast mijn coupé, en er gaan twee soldaten naast zitten. Dan wordt de gasfles weer uitgeladen, dan rijdt de trein tien meter, wordt de gasfles weer ingeladen, rijdt de trein mèt de gasfles tien meter, om uiteindelijk nog voor de grens weer te stoppen, omdat de gasfles weer moet worden uitgeladen. Opdrachten voor deze actie komen van vele verschillende kanten. Arme soldaatjes.
     De trein stopt naast het douanehokje, en de douane komt de trein op. Ze komen het eerst mijn coupé binnen. Ik ben tot nu toe aardig murw van alle oponthoud en machtsvertoon. Hij bestudeert mijn paspoort, iets meer geconcentreerd ook mijn visum, maar mijn foto is toch het belangrijkst. Dan gaat hij in mijn rugzak graven, en vindt niets. Hij heeft een flink geweer om zijn middel hangen.
     Hij vervolgt zijn weg, en ik krijg het leger binnen. Een jonge soldaat, met een veel groter geweer dan de douanier. Uzi? Kalasjnikov? Weet ik veel. Het ziet er dreigend uit, en hij geeft me bits opdrachten. "Kontrole kabin" begrijp ik, en aan de andere opdrachten voldoe ik door te verdwijnen uit de coupé. Hij controleert de banken, de vloer, de rugleuning, het plafond, de ruiten, het opklaptafeltje. Het valt allemaal eigenlijk wel mee, het is het machtsvertoon dat zo vervelend is.
     Op mijn tafeltje vindt het jochie mijn HEMA-wekkertje, en hij buigt zich voorover naar mij. "Donne moi," fluistert hij in mijn oor, en wijst op het wekkertje. Ik schrik, kijk hem even aan, dan naar zijn mitrailleur, en weer terug. Wat moet ik doen? Ik begin wat te stotteren, schud nee, en wijs op mijn pols om hem duidelijk te maken dat het mijn enige klokje is, en ik het nodig heb op reis. Ik ben bang voor wat er gebeuren zal. Wordt hij boos, en gaat hij het wekkertje eenvoudig meenemen? Lang hoef ik niet te wachten op het antwoord. De soldaat slaat zijn ogen neer, draait zich om en loopt bedroefd mijn coupé uit.
     Ik moet even slikken. Acht vijfennegentig was dat wekkertje. Bij de HEMA. Kwarts. Op batterijen. Met een uiterst modern piepgeluidje erin. Voor de soldaat was het de hemel. Laat ik niet vergeten rekening te houden met één uur tijdsverschil.
     Buiten staat een dubbeldekstrein. Zowaar. Het was een foto waard geweest. Minstens twee keer zo groot als de Nederlandse variant, geheel in donkergroen geverfd. Sommige ruiten zijn kapot, en de wagon zit onder het stof. Ik moet aan Ceauşescu denken. Wel dubbeldeks treinen. Maar als je ermee wilde reizen had je, zoals voor praktisch elke reis in Roemenië, wel eerst toestemming nodig.
     Een jongen loopt door het gangpad naar de deur. Hij heeft een lege fles in zijn hand, en buiten is een fontein. Ik zie hoe hij de deur opent, en met zijn voet op de eerste tree gaat staan. Buiten de trein, bij het douanekantoor, hoor ik een gil, en ik zie de jongen verstijven. Een soldaat gebaart hem met de loop van zijn geweer om terug de trein in te gaan. De jongen geeft heel snel gevolg aan de opdracht. In wat voor land ben ik terecht gekomen?
     De Duits sprekende moeder komt mijn coupé binnen. O jee, op Duits was ik nog niet echt ingesteld. Ze vraagt me wat ik in godsnaam in Roemenië zoek, maar verder snap ik niet zoveel van haar verhaal. Ze heeft problemen met de treintickets, en dus wil ze een briefje van vijftig Mark wisselen of zo. Het lukt me niet om het geld kleiner dan dat te krijgen, en ze gaat weer.
     Ik begin me af te vragen waar ik uit moet stappen. Ik heb een reservering tot in Curtiçi, maar het lijkt me niet verstandig om hier uit te stappen. Ik wil heel graag naar Timişoara, maar dan moet ik in Arad uitstappen. De trein zal doorrijden naar Boekarest, en komt daar aan om drie uur in de nacht. Dat lijkt me ook onverstandig. En dus besluit ik om in Arad uit te stappen. Dat zal elf, twaalf uur worden denk ik.
     De douane keert terug in mijn coupé, en vraagt om mijn interrail en reservering. Hij kijkt moeilijk, en wijst me dan naar de coupé ernaast. Daar zitten twee jongens. Een van de twee is de jongen die water wilde halen. Ik heb geen flauw idee waarom ik in deze coupé moet gaan zitten, ben er ook eigenlijk niet helemaal gerust op. De jongens kunnen me ook niet helpen. Ze zijn Hongaars, en slechts één van de twee spreekt een beetje Duits en soms een beetje Engels. Mijn schoenen vinden ze prachtig, maar ook zij vragen zich sterk af wat ik in Roemenië wil. Waarom zou ik daar nou heengaan? En als ik zeg dat ik toerist ben, geïnteresseerd ben, geloven ze me al helemaal niet meer. Ik kijk naar buiten, en vraag me af of ik het zelf nog wel geloof. En elke keer dat me gevraagd zal worden wat ik in dit land zoek, zal ik het antwoord steeds iets meer schuldig blijven. Vlak voor de trein gaat rijden, mag de jongen nog even water halen van de soldaten. Vriendelijk zeg.
     Zodra we de grens over zijn en Roemenië binnenrijden, verandert het landschap onmiddellijk. Het is vlak, en er zijn vooral uitgestrekte graanvelden. Bomen zie ik nauwelijks. Tussen de graanvelden loopt zo nu en dan een onverharde weg (het is bijna een pleonasme in Roemenië), en de spoorwegovergang wordt aangegeven met twee staken die in de grond zijn gestoken, waartussen een stalen bord met ijzerdraad is bevestigd. Het is me niet gelukt er achter te komen wat er op het bord staat, maar ik wed dat het een tekening van een stoomtrein is.
     Alles wat ik buiten zie is kapot. Meer dan de helft van de schaarse lantarenpalen doet het niet, bijna de helft van de auto's ziet er niet uit of ze kunnen rijden, huizen zijn niet geverfd. We passeren dorpjes waar nog wel een plaatsnaambordje staat, maar geen huizen meer. Ik herinner me een driesprong van wegen, compleet met plaatsnaambordjes, en uitgestrekte landerijen er omheen, maar huizen... ho maar! De Hongaren snappen nog steeds niet wat ik nou in godsnaam in Roemenië zoek. Ik word bang. Ik geloof niet dat dit land hotels kent. Dan krijg ik een briljante inval, en in de wagon achter de mijne zoek ik de drie Duitsers weer op.
     Moeder wil me wel aanhoren, zij moeten ook naar Arad, maar het probleem is dermate groot dat ook de kinderen zich erbij voegen. Nee, hotels zijn er niet in Arad. Laat staan dat ze open zijn om deze tijd. Laat staan dat ze veilig zijn. Nee, dat zou niet slim zijn. Ze overlegt met de kinderen. Niet in het Duits overigens, en ik versta er absoluut niets van. Roemeens misschien? Dan spreekt moeder het verlossende woord. Er is misschien wel een oplossing te bedenken. Als we in Arad zijn, moet ik ze maar volgen. Ik bedank ze, en loop terug naar mijn coupé. Ik heb geen flauw idee wat het voorstel inhoudt, maar ze lijken me betrouwbaar. De trein dendert voort. Misschien wel vijftig kilometer per uur nu. Nog steeds geen boom te zien.

Arad

Op het station in Arad stap ik uit. Het is een uur of twaalf, één geloof ik. En wat is het er vies. Moeder lijkt me streng doch rechtvaardig, zoonlief is een jaar of achttien en ziet er uit of hij natuurkunde gaat studeren, en dochter is denk ik twintig of zo. Moeder haalt me ertoe over om mijn rugzak op een karretje te leggen, geeft de chauffeur een fooi, en we lopen door de stationshal naar buiten. Dochter rijdt op het karretje mee. In de stationshal ziet het ondanks het late tijdstip zwart van de ouwe vrouwtjes die flessen water proberen te verkopen. Allemaal dezelfde flessen, in grote hoeveelheden. Ik geef toe, het is warm, snikheet zelfs, zeker als je je bedenkt dat het al nacht is. Maar zouden Roemenen nou echt zoveel water zuipen, of is het leuk om zelfstandig ondernemer te zijn? Het antwoord is de noodzaak. Ik ben echt in de derde wereld aanbeland, krijg ik de indruk.
     We ontmoeten onze bagage weer buiten. Mijn eerste indruk is die van een grauwe, vervallen stad. Alle (let wel: alle) auto's zijn Dacia's, en zien er allemaal hetzelfde uit. Gelukkig mocht je de kleuren wel zelf uitkiezen. Moeder roept een taxi, en we gooien de bagage achterin. Nog steeds snap ik niet helemaal waar ze me heen brengen, maar ik vertrouw ze volledig. Ze spreken stukken beter Duits dan ik, maar het gaat me steeds iets beter af.
     Het lukt de taxichauffeur om de koffers van de drie achterin te gooien, maar mijn rugzak past nergens meer. Nonchalant gooit hij hem op het dak, bindt niets vast, en stapt in. Moeder stelt me gerust door te zeggen dat losse bagage op het dak vaak wel blijft liggen. Bij elke kuil in het wegdek verwacht ik mijn rugzak langs te zien komen zeilen, maar de chauffeur kent de meeste kuilen, en scheurt er met rake bochten langs. We slalommen het centrum uit, en de rugzak blijft liggen.
     Moeder en dochter wijzen me op bezienswaardigheden in het centrum: veel kerken en een bibliotheek. Arad was vroeger onderdeel van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, en de hele streek is nu nog steeds overwegend Duits. Natuurlijk zijn de meeste Duitsers sinds december 1989 wel verdwenen. We razen over een vreselijk brede betonnen weg, met bomen langs het trottoir en tussen de weghelften in. Zelfs de mooiste kerken geven nog een vervallen aanblik.
     Moeder is Roemeense, en heeft lang geleden het regime van Ceauşescu ontvlucht. Beide kinderen zijn in Arad geboren, en hebben hier de eerste zes jaren van hun leven gewoond. Ik weet niet meer hoe ze het voor elkaar hebben gekregen het land te verlaten. Ze waren gevlucht naar Hongarije. Wat er met vader is gebeurd heb ik nooit geweten. Ik was geloof ik tezeer onder de indruk om het te vragen. Ze wonen nu al zo'n vijftien jaar in Duitsland, en gaan nu oma opzoeken. Eens per jaar.
     We crossen door de buitenwijken, flats, flats, flats, en houden stil bij één daarvan. Er wordt afgerekend, en ik omhels mijn rugzak. Nog helemaal heel. Dan zegt moeder mij dat ik wel bij oma mag blijven slapen. Voor tien DMark praten we nergens meer over. Ik vind het een redelijk aanbod, heb nog geen flauw idee wat me te wachten staat.
     Moeder heeft één van haar koffers alleen maar meegenomen om westerse spullen mee te kunnen nemen. Panty's, haarlak, parfum, zeep, shampoo, ballpoints, batterijen, chocolade, koffie, thee, noem maar op. Ik besluit mijn repen maar achter te houden. De moeite die ik heb gedaan om er achter te komen wat ze in Roemenië niet hebben, en nu staat er een hele tafel voor me uitgespreid... Oma is ondertussen druk bezig in de keuken. Ik voel me wat misplaatst met mijn dure schoenen en dito rugzak, en weet niet goed wat ik moet doen of zeggen.
     Oma spreekt ook een paar woordjes Duits, niet veel, maar ik kan haar verstaan, en kan haar zelfs goed begrijpen. Zij was ook naar Duitsland gevlucht, maar had in tegenstelling tot haar dochter en de kinders geen verblijfsvergunning gekregen. Ze was veertien maanden in Duitsland, en werd toen pas teruggestuurd. Nu krijgt ze van Roemenië zelfs geen uitreisvisum meer.
     Ik ga maar netjes in de keuken aan de tafel zitten. Een enorm maal wordt voor me neergezet. Zelf gestookte kersenlikeur (heel sterk en heel zoet), sinaasappelsap met sodawater (= sinas), brood, een erg lekkere aubergineschotel met paprika, tomaten en uien, fantastische schapenkaas, in alcohol gedrenkte kersen, spek, en ga zo door, eet nog wat meer. Het ziet er overvloedig uit. Wat lief. Ik krijg zin om te janken.
     's Winters is alles veel erger. Het kan hier goed koud worden, en er is niet altijd gas of warm water of elektriciteit. Televisie hoef je al helemaal niet te proberen. Er zijn twee netten, maar er is een erg slechte ontvangst, en de programmering bestaat uit militaire propaganda, opera's en politieke programma's. Voor het slapen gaan mag ik een 'Roemeense douche' nemen, een rubberen slang die aan de kraan van het bad is bevestigd en die ik boven mijn hoofd moet houden. Alleen bij de gratie Gods is het water warm. Nooit dus. Diep onder de indruk val ik in slaap op de grond in de huiskamer, onder een flinke stapel dekens. Wat een land.

De volgende ochtend word ik uit mezelf wakker. Arad in. Ik neem afscheid van oma, en bedank haar hartelijk. Wat een lief mens. Ze wil geen chocolade van me aannemen; dat zou ik nog nodig gaan hebben. Maar ze lijkt dolblij als ik tien dollar met haar wil wisselen. 3700 Roemeense lei. De dollarbriefjes worden goed verstopt. Moeder en kinderen laten me Arad zien. Maar wat een grauwe stad, wat een dofheid.
     Vooral met de dochter (ze had een Roemeense naam, Inigua of zoiets) kan ik makkelijk praten. Ook zij snapt niet wat ik in dit land in 's hemelsnaam zoek. Het is inderdaad waar dat het aan alle Roemenen verboden was om te praten met buitenlanders. Je had dan meteen securitate aan je broek. En het is inderdaad waar dat de securitate alom vertegenwoordigd was (en ìs!). Alle buitenlanders moesten voor een verblijf in Roemenië 15 dollar contant per dag aan de Roemeense overheid betalen. Louter voor het verblijf.
     Voor hen is het natuurlijk een compleet andere belevenis. In mijn ogen is het één van de vele grauwe oostblok-steden. En behalve de vele kerken niet zo veel bijzonders. Maar voor hen is het de stad waar ze geboren zijn, jaren lang onder een dictatuur hebben proberen te leven, een stad die ze uiteindelijk in uiterste nood hebben ontvlucht. We zijn nog langs de flat gewandeld waar beide kinderen geboren zijn.
     De kerken zijn hier fantastisch! Enorme hoeveelheden goud en waardevolle iconen. Ik heb de kerk gezien waar moeder getrouwd was, en een Roemeens-orthodoxe, een katholieke, een Servische, Joodse synagogen, maar ook de markt van Arad, en overal afgebrokkelde muren van huizen, kapotte trottoirs, gaten in de weg.
     En pas op voor de zigeuners! Veel later, terug in Nederland, zouden er reportages op televisie verschijnen die lieten zien hoe slecht de zigeuners in Roemenië worden behandeld. Er zijn gevallen bekend van dorpen die zichzelf 'zigeunervrij' hebben gemaakt. In razzia's waarbij soms de burgemeester voorop liep. Hoe slim Inigua ook is, of haar broertje, of haar moeder, of wie dan ook die ik ontmoette in Roemenië, allemaal hebben ze mij gewaarschuwd voor die vuile zigeuners. O, ze zijn zo geniepig, ze willen alleen maar geld, ze jatten... ja, ja...
     In de stad komen we een uiterst vriendelijke man tegen, de trainer van het Roemeense basketbalteam. Een sociaal (maar waarschijnlijk ook wel financieel) hoge positie. Hij is bevriend met moeder en kinderen, heeft zijn hele leven in Arad gewoond, en is buitengewoon vriendelijk. Hij neemt ons mee naar het luxueuze (...) Astoria-hotel, waar we op het terras zitten. In de lobby van het hotel staan Roemeense meisjes in minirok te wachten op de westerling die hen mee zal nemen naar Amerika. Moeder waarschuwt me voor ze. En nu ik er over nadenk; moeder waarschuwt me voor alles. Of het nu zigeuners zijn, of gaten in het wegdek of mensen die geld willen wisselen. O, het is zo gevaarlijk om alleen door Roemenië te reizen. Ze snapt nog steeds niet wat ik hier wil.
     Ik heb nog Drum uit Nederland, en rol op het terras een sjekkie. De sporttrainer is erg geïnteresseerd. Ik rol er een voor hem, ondertussen krijg ik koffie (echte!) en een enorme ijscoupe voor mijn neus. Het is lekker. Het gesprek gaat vooral over Roemenië; ik durf slechts zelden te beginnen over Ceauşescu. Over Nederland hebben we het al nauwelijks. We praten veel over basketbal, over Arad en over Duitsland. De coach hoefde niet naar het buitenland te vluchten. Als trainer van het Roemeense team kom je in alle delen van de wereld. Ook onder Ceauşescu. Waarom je land dan ontvluchten? De man wijst mij aan de overkant van de rivier een kolos van een gebouw aan. Over megalomanie gesproken... Enorme molshopen rijzen op langs de oevers van de rivier Mureş. Het sportcomplex is een van de laatste door Ceauşescu aangelegde gebouwen.
     We wandelen wat in het park langs de rivier. Ik krijg een maïskolf, een Roemeense jojo (een papieren balletje aan een elastiekje) en een fluitje, en ze vertellen me dat het onbeleefd is dingen af te houden of zelf te willen betalen. Hoeveel geld ik ook heb. Dat ik gast ben is belangrijker dan dat ik veel geld heb. De weinige prijzen die ik tot nu toe heb gezien zijn ronduit belachelijk laag. De meeste artikelen zijn voor een paar centen te koop. Maar meer naar het centrum zie ik in de etalages toch ook duurdere spullen: een compleet serviesstel, prachtige jurken. De etalages herinneren me aan opa's touwslagerij. Ze geven vooral een lege indruk. En middenin zo'n lege etalage hangt dan een bloemetjesjurk voor zestig gulden...
     In de loop van de ochtend word ik op de trein naar Timişoara gezet. Dat is ook wel nodig, want volgens de omroeper vertrekt ie van drie verschillende perrons tegelijk. Over die tien DMark wil moeder niet meer praten. Inigua heeft een blikje bier voor me gekocht, en ik krijg wat te eten mee. "Weet je het zeker?" "Pas toch goed op!" "Niet met zigeuners praten, hoor!" "Pas op met het wisselen van geld!" Ja, hoor. Ik pas wel op mezelf. Ik stuur wel een kaartje. Ik besluit om op het balkon te blijven zitten. Angst is iets dat mensen graag delen, de meest besmettelijke van alle emoties.

Timişoara

De trein is weer eens oud, kapot, krakend en piepend en geheel vervallen. Geen gordijntjes meer, vaak geen bekleding op de banken, geen licht, geen asbakken, niks, niks. Het uitzicht buiten beurt me ook niet op. Weer die grote combines die over de graanvelden kruipen, en alles is van een overweldigende grauwheid. Pas nu realiseer ik me hoe dat komt. Er zijn veel te weinig bomen in dit land. Waar zijn die allemaal heen? Overal waar je kijkt, zie je de horizon. En ook in Arad zag ik regelmatig plekken waar bomen domweg waren verdwenen. Natuurlijk! De elf graden van Ceauşescu...! Sinds 1985 waren alle brandstoffen elke winter op rantsoen.
     Het wordt drukker in de trein, en anderen moeten ook op het balkon blijven staan. Ik word vreemd aangekeken. Van grote afstand is te zien waar ik vandaan kom. Wat doet die jongen hier alleen? Wat doet die jongen überhaupt hier? En ja hoor, in het Roemeens vraagt een boer mij wat ik in godsnaam in Roemenië zoek. Ik begrijp hem, en leg uit dat ik geïnteresseerd ben in de mensen. Hij spreekt verbazingwekkend weinig Nederlands, en er moet een ander aan te pas komen om het te vertalen. Bij de deuren aan de andere kant staat een blonde man die Duits spreekt, en hij vertaalt het. Wat ik in Roemenië zoek. De mensen snappen het echt niet. Waar ik denk te overnachten. Tja, geen idee. Het is ook nog maar middag. Dat zien we dan wel weer. Wat voor staatsvorm Nederland heeft. Een koningin, ja. Beatrix. Inderdaad!
     Buiten de trein biedt de Duitser direct aan om bij hem te overnachten. Met zijn vrouw en drie kinderen rijden we in twee taxi's naar een buitenwijk van Timişoara (Temeswar in het Duits). Nog meer dan Arad is Timişoara het westerse centrum van Roemenië. Er wonen relatief veel Duitsers hier, het is een progressieve stad (revolutie 1989), erg op het westen gericht, en altijd al de ergernis (en tegelijk ook de trots) van Ceauşescu. Maar ook Timişoara biedt op het eerste gezicht niets dan grauwheid. De flat waar we stoppen is een typische oostblokflat. Veel modder en zandvlaktes, en geen kinderspeelplaatsen tussen veel te hoge flats.


Timişoara

Timişoara. Woestenij in een buitenwijk, vlakbij Spatze's flat.


Binnen krijg ik een kamer voor mezelf aangeboden, en een kopje koffie dat ik niet durf af te slaan. Allemaal zitten ze te kijken hoe ik mijn koffie opdrink. Gaby, een dik meisje van ongeveer tien, Christi, een jongen van veertien ("unde Christi?" ofwel: waar is Christi nou weer?), en Ramona, een meisje van zestien. Ik weet niet hoe de moeder heette, de vader heette Iohan Spatze. Ja, een Duitse naam. Hij is inderdaad Duitser, maar zijn familie woont al sinds 1740 in Roemenië (ongelooflijk dat hij zich dan nog steeds Duitser voelt). Hij was een paar jaar geleden in Duitsland geweest, op bezoek bij familie, en is daar zeer trots op. Het visum in zijn paspoort bevat een hologram!
     Maar het gesprek wordt er nauwelijks makkelijker op. Mijn voorouders woonden in 1740 denk ik nog in Duitsland. Ik snap wat een vriendin van me bedoelde toen ze terugkwam uit Letland. Ik heb het vaak onbewust over luxe-problemen, en zie hun blikken dan afdwalen. Ik weet niet wat ik moet zeggen op zijn verhalen over de schaarste in Roemenië, weet niet wat ik moet antwoorden op vragen als: "Wat is het modaal salaris in Holland?", en weet al helemaal niet wat ik moet vertellen. Natuurlijk zijn mijn schoenen een regelrechte bezienswaardigheid, evenals mijn rugzak, maar mijn wekkertje slaat ook hier alles. De moeder wordt verliefd op het piepgeluidje, en ik moet een demonstratie geven.
     Spatze verdient 100 gulden per maand, en zijn TV had 320 gulden gekost. O ramp als die kapot mocht gaan! Ik snapte zijn problemen over de lelijke kleuren van de TV ook niet zo, maar voor hem is het heel belangrijk dat dat o zo dure apparaat het goed zou doen. Geld voor een reparatie heeft hij niet. Het leert me om die overweldigende westerse luxe niet zo vanzelfsprekend te vinden. God, wat is het in de wereld oneerlijk verdeeld! En het is des te schrijnender, omdat dingen er wel zijn, maar kapot, of te duur. Met Amerika en überhaupt 'het westen' als lichtend voorbeeld... Ze zuipen cola bij de vleet, draaien hun hoofd om voor elke westerse auto (gelukkig zijn dat er niet veel), en kijken elke avond Dallas (Jock leeft nog). Steden als Timişoara en Boekarest zijn twee avonden van de week geheel verlaten; dan kijkt iedereen naar Dallas.
     In de nacht word ik uit mijn slaap gehouden door de straathonden. Overal vind je ze in het oostblok. Mensen konden hun huisdieren al lang geleden niet meer onderhouden, en dat is natuurlijk het eerste waar ze vanaf willen. In Roemenië zijn ze de straat op geschopt. Het krioelt er van, de een nog viezer dan de ander.
     De volgende ochtend gaan we de stad in. Iohan, Christi en ik. Ik zie het plein van Timişoara (zeer mooi, maar helaas geen gele steentjes meer; die heeft Ceauşescu weg laten halen voor zijn paleis in Boekarest), met vier verschillende kerken broederlijk naast elkaar. Roemeens-orthodox, Servisch, joods en katholiek. Ik vraag Spatze of dat geen problemen oplevert. Nee, natuurlijk niet, hoe kom ik er bij? Net zo goed wordt er in Roemenië geen wodka gezopen, zijn er geen zwarte markten, en zijn ook volgens Spatze alle zigeuners klootzakken. Hoeveel zigeuners zou deze man persoonlijk kennen?


Timişoara

Plein in Timişoara.


Hij leidt me rond langs alle bezienswaardigheden van de stad (in het centrum staat zowaar een beeld van Romulus en Remus onder de wolf) en de revolutie, en vertelt hoe onverwachts het allemaal kwam, vertelt dat iedereen allang wist dat de muur was gevallen, hoe de demonstranten werden neergeschoten door het leger. Ik zie het plein waar de demonstratie gehouden werd (met de kogelgaten nog in de muren van de huizen), en de kerk van dominee László Tökés waar het allemaal om begon. Later laat Spatze zien hoe hij vanuit zijn flat de tanks en vliegtuigen op zag trekken naar het centrum, hoe hij zich had schuilgehouden voor de beschietingen. Na de eerste vijf dagen van gevechten sloegen de protesten over naar Boekarest, en de dag daarop viel tijdens een toespraak in Boekarest de mond van Ceauşescu open toen zijn 'fans' eerst fluisterend, allengs al luider begonnen te scanderen: "Ti-mi-şoa-ra, Ti-mi-şoa-ra!" Op zijn gezicht stond een blik van volslagen onbegrip en ongeloof voor wat er gebeurde. Hij vluchtte maar werd gegrepen, en werd drie dagen later ter dood gebracht.
     We gaan ook naar de markt. Alles is daar te koop, behalve eten. Veel zigeuners die spullen uit Istanbul proberen te verkopen, maar ook tweedehands westerse auto's (tussen de 7.000 en 12.000 DMark). Er worden stereo's, TV's en auto's verkocht tegen dezelfde prijzen als in Nederland. Van een zigeuner koop ik een zilveren ring, die in mijn bijzijn op maat gesmeed wordt. De man zit in kleermakerszit op de grond achter zijn leest en vuurpot, en tikt een beetje, verwarmt een beetje, tikt weer wat meer. Hij heeft een volle, zwarte baard en snor, oorringen, afgetrapte laarzen, een leren vest, en overal bandjes, doeken en kettinkjes. Vierhonderd lei. Voor mij is dat minder dan twee gulden, maar Spatze trekt wit weg. Later bereken ik pas dat het voor hem (op basis van zijn salaris) een gulden of zestig is. En we bezoeken een markt waar niets dan bloemenkransen verkocht worden. Alles wat we kopen vandaag (bus, drankjes, eten), wordt door Spatze betaald. Ik ben de gast.
     We staan al bij de bushalte als Spatze zich bedenkt dat hij brood had moeten kopen. Dat wordt moeilijk, het is al middag. We gaan op een centraal punt staan, en sturen Christi een rij in. Het duurt lang, heel lang. In totaal werken we een stuk of vier van zulke rijen af. Het kost uren. Uiteindelijk weet ik Iohan er toch toe over te halen om mijn brood maar te gebruiken. Goed is het niet; het komt uit Hongarije en is al oud, maar het is tenminste brood. Hij geeft morrend toe. Vooruit dan maar. Brood is in de middag in de hele stad niet meer te krijgen.
     Het eten wordt wat voorspelbaar. Het is groots, ze hebben alles ingekocht, maar toch blijft het voor het grootste deel bestaan uit aardappelen, paprika's, tomaten, spek en schapekaas, elke dag in een andere combinatie. Het blijven de enige ingrediënten die in overvloed te krijgen zijn, en de kok dient dus inventief te zijn. Na het eten heb ik het nog over de positie van de vrouw, maar Spatze wil niet van veranderingen weten, hoewel zijn vrouw zo nu en dan een woord opvangt, en me toelacht. En over cola (volgens Spatze komen coca en pepsi van dezelfde fabriek); dat is heel belangrijk in hun leven. Symbool van de vrijheid.
     Moeder wast, strijkt (!) en droogt mijn spijkerbroek. De volgende ochtend gaan we zwemmen. Ik ben er een tijdje op tegen geweest om twee nachten te blijven slapen, maar kan er weinig tegen beginnen. Spatze staat er op.
     Er is nog vreselijk veel te vertellen over Timişoara en over Spatze. Dat grote homp vlees van zijn vriend die in de slachterij werkt. Het grote pluspunt van Roemenië volgens Spatze: dat iedereen elkaar kent en helpt (tja, dat moet ook wel). En inderdaad, regelmatig komt er een buurman of buurvrouw binnen voor een praatje of een kopje suiker (bijvoorbeeld, want suiker hadden ze de laatste zes maanden al niet meer gezien. Die grote rij in het centrum van Timişoara is volgens Spatze dan ook voor de suiker...). Een van die buurmannen is een Afrikaan. "Iedereen leeft samen," zegt hij tegen mij, maar ik denk alleen aan de zigeuners.
     Dat grote, gele paleis dat in Timişoara gebouwd wordt ("ja, dat is van een zigeuner, kijk maar niet"). Dat verhaal over de disco's in Timişoara, dat Spatze weigert te vertalen voor Christi ("ik heb hem maar gezegd dat jij vroeg of hij een vriendinnetje had"). De lamp in mijn kamer die keer op keer kapot gaat. Mijn zaklamp oogst natuurlijk weer veel bewondering. Die vieze chips die Spatze heeft ingekocht. Het feit dat ik op bezoek ben, betekent voor de kinderen feest. Dat realiseer ik me pas als we naar het zwembad gaan. Hij heeft nog een dag extra vrij genomen van zijn werk (ach, door mij te ontvangen verdient hij meer geld dan op zijn werk). Op een ochtend krijg ik nog voor het ontbijt de Roemeense variant op slivovitsj te drinken, terwijl Spatze mij er de vorige avond juist van had overtuigd dat er vrij weinig wordt gezopen in dit land.
     We bezoeken opa, die in de tweede wereldoorlog nog zij aan zij met Nederlanders heeft gestreden, maar waar ik absoluut niet weet wat ik moet zeggen. Weer kersenlikeur, weer tomaten, weer zonnebloempitten... Op deze manier wordt zelfs de kersenlikeur symbool van armoede. Middenin Timişoara hoort iemand mij een woord Engels spreken, en spreekt mij vervolgens blij in een mengsel van Engels en Roemeens aan. Spatze redt me uit de situatie. En natuurlijk die dag dat we inkopen doen op de groente- en fruitmarkt. Wat een crime...
     De dag in het zwembad in Timişoara is gezellig. De toegangsprijzen zijn er in drie jaar meer dan honderd keer zo hoog geworden. Lekker tot rust gekomen, en veel lol gemaakt met Christi. Met zijn dikke buik zwemt Spatze toch een stuk sneller dan ik. Ramona wil liever naar het zwembad met de jongeren. Dat is nog veel duurder.
     Ik koop ansichtkaarten en postzegels op het postkantoor, maar de postzegels die we gekocht hebben, blijven niet op de kaart zitten, en om lijm of plakband durf ik echt niet te vragen. Dat hebben ze niet.
     Deze avond (21 juli) word ik door Spatze in een taxi naar het station gezet. We nemen uitbundig afscheid. Ik bedank hem hartelijk, en hij wil dat ik hem schrijf. Ik heb tien dollar achtergelaten in mijn slaapkamer (achteraf beschamend veel geld voor twee overnachtingen, het is één vijfde van zijn maandsalaris), en misschien is het ook wel meer voor mijn gemoedsrust dan voor Spatze's portemonnee, maar goed. Ook de taxichauffeur krijgt een flinke fooi.

Boekarest

In de nachttrein naar Boekarest durf ik niet te gaan slapen. Het begint al goed als ik de schuifdeur van een coupé open trek, en prompt de glasplaat naar beneden dondert. Ik schrik, maar de Roemenen in de coupé kijken nauwelijks op of om. 'Laat maar liggen,' gebaren ze, 'anders valt ie nog een keer...'
     Ik ontmoet twee Roemeense jongens die samen met hun vader naar Boekarest reizen om een visum voor Amerika te bemachtigen. Een van hen wil er gaan studeren. Ze vinden hun vader vreselijk, en telkens als ze een sigaret roken moeten ze oppassen dat hun vader het niet ziet. Roemenië vinden ze een rotland. Ze snappen niet waarom een toerist erheen zou gaan. Zelf kunnen ze alleen redenen bedenken om het land te verlaten, niet om het te bezoeken.
     Mijn kleine onderzoek begint vruchten af te werpen; niemand gaat in september op Iliescu stemmen, en toch is iedereen er daarnaast van overtuigd dat hij de verkiezingen ruimschoots gaat winnen. Gaat hij dat te danken hebben aan de plattelandsbevolking, of aan de mijnwerkers, of aan verkiezingsfraude? Iliescu is nu interm-president, als opvolger van Ceauşescu (en zou in oktober inderdaad tot president worden gekozen).
     Het is een prachtige treinreis. Ik ben blij dat ik wakker moet blijven. We rijden lange tijd langs de Donau (eindelijk...), ik zie de grootste waterkrachtcentrale van Roemenië (niet eens zo vreselijk groot), en het gaat tergend langzaam want het landschap is bergachtig en lang niet overal ligt dubbel spoor. Maar het uitzicht op de Donau maakt alles weer goed.
     In de ochtend komen we aan in Boekarest, en ik ga direct op zoek naar een kaart. Help, wat een eind lopen naar het centrum! Hoe ga ik dat overleven? Het lukt me, en ik vind uiteindelijk een luxe hotel in het centrum. Het Hilton is toch echt te duur. Het is een mooi hotel, met marmeren vloeren en een prachtige kleine lift. Ik ben blij mijn rugzak ergens te kunnen dumpen, maar vermoed dat 3400 lei per nacht (ongeveer 16 gulden) toch wel erg duur is. Het zal me wat.
     Ik loop direct de stad in, het is erg warm buiten. Cola komt me de strot uit, maar meestal verkopen ze op straat ook ananassap, kiwisap of sinas. Voor een duppie per glas. Over het algemeen is er vrij veel te koop in Boekarest, maar niet echt veel meer dan in Arad of Timişoara. Ben benieuwd hoe dat op het platteland is.
     Mijn hotel ligt vlakbij het Plein van de Universiteit, centrum van de opstand in december 1989, en dat is dan ook het eerste dat ik bezoek. Het is indrukwekkend, meer dan ik had gedacht. Geen grote gedenktekens, geen imposante gebouwen, gewoon het centrum van een stad. Tussen de beide weghelften langs het plein staat een houten kruis opgesteld. Voor alle doden tegelijk. En dat is dan ook alles wat gedenktekens betreft.
     Het plein staat niet zozeer in het teken van rouw of gedenken, eerder in het teken van waakzaamheid. De muur van het universiteitsgebouw voor architectuur is imposant. Bovenaan staat "Zona Libera de Neocomunism" en in heel grote letters de kreet "Monarhia - Salveaza - Romania." Iedereen die wat te zeggen heeft over politiek, economie, communisme of monarchie is uitgenodigd dit te doen op deze muur. Mij wordt verteld dat een Roemeen die de laatste nieuwtjes wil weten, niet een krant koopt, maar naar het Plein van de Universiteit gaat om de muur te lezen.
     En inderdaad, de muur is (behalve de twee die ik genoemd heb) nauwelijks gevuld met losse kreten. Er hangen opstellen met plakband aan de muur. Veel anti-communistische manifesten, veel pro-monarchistische teksten. Foto's van de koning met zijn familie in Zwitserland, maar ook bijvoorbeeld de lijst met namen van diegenen die vroeger een hoge functie hadden binnen de communistische partij. De namen van de mensen die nu nog aan de macht zijn, zijn onderstreept. De lijst begint met Ceauşescu, en Iliescu staat op de zestiende plaats. Het is niet zo opmerkelijk, iedereen weet het, maar toch: het staat hier maar eens zwart op wit. Voor iedereen te lezen (en te becommentariëren). En een briefje waarop staat hoeveel salaris Iliescu per jaar vangt. Foto's van overledenen. Bloemen. Christelijke teksten. En veel mensen die bezig zijn de teksten te lezen. "Jos Iliescu" (zijn voornaam is Ion, jos betekent: 'weg met'). Het is altijd druk op het plein. Later zitten er zelfs hare krishna's te zingen, onder enorme publieke belangstelling. Wat moet zulk soort vrijheid een mooi goed zijn voor hen die anders gewend zijn.


Boekarest

Op het Plein van de Universiteit van Boekarest. Ik heb lang gewacht tot het minder druk was, en toen zat die man er nog. Dan maar met krantenlezer.


In deze buurt zijn veel scheuren in de gebouwen te zien. Resultaat van de aardbeving in 1989 die ik in De Bilt op mijn laatste dag bij het KNMI registreerde, neem ik aan. Het is een vreemde stad. Brede boulevards worden afgewisseld met kleine steegjes, kolossen van kantoorgebouwen met subtiele Byzantijnse kerkjes (ik heb buiten het centrum een erg mooie bezichtigd) en rijken die in een Mercedes met Roemeens nummerbord rijden naast bedelaars die langs de straatkant liggen.


Boekarest

Kerk in Boekarest.


Ik voel me rijk. En een klootzak. In mijn Van der Graaf Generator T-shirt loop ik het Intercontinental-hotel binnen. Het grootste gebouw in Boekarest (na de televisietoren), dus ze zullen hier wel een Engelstalige krant hebben. Nee dus. De man achter de balie spreekt wel goed Engels, maar de enige buitenlandse krant die hij heeft is de Frankfurter Zeitung. Dan maar niet. En dan maakt hij een opmerking over mijn T-shirt. Van der Graaf Generator kent hij, en Peter Hammill ook. Ja, vroeger was hij daar fan van. En niet om het een of ander, hoor, maar juist op dit moment logeert de kleinzoon van professor Van der Graaf in het Intercontinental-hotel. Is dat echt waar? De kleinzoon van dé professor? Niet te geloven.
     Geheel overdonderd door de grillen van het lot, loop ik weer naar buiten. Eerst maar 'ns wat eten. Na lang zoeken eindelijk een stentje gevonden waar ze fruit verkopen. Er staan niet meer dan vijftig mensen in de rij. Wat duurt dat lang. Voor twee simpele perziken. En duur dat ze zijn...
     Aanvankelijk ontwijk ik het paleis van 'conducator' Ceauşescu nog. Op grote afstand zie ik het liggen, en ja, het is groot. Inderdaad. Maar ik vind het wat overdreven (en ook ver) om erheen te lopen, en keer weer om. Later besluit ik om er toch maar heen te lopen, en niet voor niets. Het blijkt dat het gebouw veel verder weg ligt dan van afstand lijkt, en als ik uiteindelijk midden op het grote plein sta, zo dichtbij mogelijk, ben ik ervan overtuigd dat het verreweg het grootste gebouw is dat ik in mijn leven zag. Groter dan het klooster in Lissabon, veel groter dan de Sint-Pieter, misschien bijna het formaat van Hoog Catharijne. Het staat leeg. Er wordt over gesproken om de complete regering en alle ministeries erin te huisvesten, maar dan nog zou het grootste deel leeg blijven staan.
     Op een foto lijkt het lang niet zo groot. Maanden erna ben ik nog onder de indruk van de 90.000 (!) huizen die er voor moesten verdwijnen, de 15 Byzantijnse kerkjes, en bovenal het buitenaardse formaat van het ding. Boekarest had vroeger altijd 365 kerkjes, voor elke dag van het jaar één. Ceauşescu heeft dat, omdat hij een huis zocht (iets waar andere Roemenen altijd jaren op moesten wachten), teruggebracht tot 350. Ach, ook een mooi getal... Vanuit de trein heb ik al genoeg gezien van het ontvolkte platteland. Naar het schijnt zitten de flats in de buitenwijken van Boekarest vol met ontevreden boeren. Ja, hoor, die heilstaat is er gekomen. Binnen je paleis. Het is groot genoeg om een complete heilstaat te herbergen. Maar als je één stap buiten het paleis had gezet, had je misschien kunnen zien wat er met je heilstaat gebeurde.


het paleis in Boekarest

Het paleis.


Langs de boulevard voor het Paleis van de Republiek (zoals het heet) staan leden van de securitate, nonchalant geleund op een gitzwarte Dacia met nummerbord A 20. Spatze had me al gezegd dat Dacia's met een A in het nummerbord van de securitate zijn. Nou goed, dat is duidelijk genoeg. Iets verderop zit de dealer van Alfa-Romeo. Ik geloof mijn ogen niet. Wat doet die hier? Volgens mij kan alleen Iliescu zelf zo'n ding kopen. Langs het paleis marcheren soldaten met machinegeweren, die elk van mijn bewegingen nauwgezet volgen. Denken jullie dat ik het paleis ga bestormen of zo? Overigens lukt het me te ontdekken waar een ingang zit. Op de hoek is een van de poorten van het paleis gebarricadeerd (na de bestorming geheel vernield), en vlak daarnaast zie ik iemand door het raam kruipen en het paleis verlaten. Even denk ik er over om naar binnen te gaan, maar ik ben bang dat ik dan de kans loop in mijn been geschoten te worden. Toch maar even niet.
     Geïntrigeerd kijk ik naar de putdeksels. Onder deze stad bevindt zich een tweede stad, zegt men, voor securitate-leden. Tijdens de revolutie kon het gebeuren dat een putdeksel openging, een machinegeweer te voorschijn kwam en in het rond ging maaien. Onder de grond ligt het vlees. Onder de grond liggen de dollars. Onder de grond is voldoende suiker. Zegt men.
     De rij die ik in Timişoara zag voor de suikerverkoop, wordt vandaag overtroffen. Bij de Amerikaanse ambassade in de villawijk zie ik een rij Roemenen staan van bijna twee straten lang. Ik denk aan de jongen die ik in de trein ontmoette. Hij staat er vast ook tussen.
     Ik loop veel rond in Boekarest. Langs het water, in parkjes, over boulevards en door kleine steegjes. Het Plein van de Revolutie, Straat van de Victorie, Boulevard van Carol I, alles is hernoemd, net zoals in Timişoara en Arad al was. En in Budapest vast ook. Gelukkig hebben ze er ondertussen ook aan gedacht nieuwe plattegronden te maken. Ik zie sokkels zonder standbeeld, straten zonder naam, en huizen met kogelgaten. Maar bovenal behulpzame mensen, die zelf ook vinden dat het een ongeorganiseerde bende is in Roemenië, en je graag de stad door lozen. Ik dacht dat die wisselaar ook zo iemand was, en wisselde 150 DM tegen vijf briefjes van twintig dollar. In de lift waren het plotseling vijf briefjes van één dollar geworden. Hij heeft er vast een hele leuke avond van gehad. Ik overweeg om naar huis te gaan, maar aan de andere kant trekken Bulgarije en Istanbul me ook wel, en boos ga ik slapen. Morgen maar naar Bulgarije.
     Ik hoef de eerste twintig jaar niet meer terug. Het zal nog wel lange tijd een puinhoop blijven in dit land.

Het vinden van de juiste trein

Vóór twaalf uur (op donderdag 23 juli) verlaat ik het hotel in Bucureşti (Boekarest), en loop met mijn rugzak naar de botanische tuin. Ik ben er al binnen, als een oud mevrouwtje me iets naroept. Entree vijf lei. Het goedkoopste dat ik heb gekocht in Roemenië.
     In de tabel hieronder staat een aantal dingen opgesomd dat ik in Roemenië heb gekocht. Ik geef de prijs in Roemeense lei, in guldens volgens de mij berekende wisselkoers en in guldens op basis van het maandsalaris van Iohan Spatze.

artikelleigulden voor mijgulden voor Spatze
Carpaţi sigaretten18,000,082,70
Camel 100's200,000,9230,00
Marlboro hard box420,001,9363,00
een heel wit brood25,000,113,75
plastic glaasje cola25,000,113,75
mijn ring400,001,8360,00
kwartier in de taxi240,001,1036,00
nacht in hotelletje3.400,0015,60510,00
2 tomaten, 2 perziken, 2 bananen17,000,082,55
entree botanische tuin5,000,020,75
tweedehands kleuren TV64.000,00293,589.600,00
tweedehands Fiat Regata1.400.000,006.422,02210.000,00
jaarsalaris Iliescu1.620.000.000,007.431.192,66243.000.000,00
modaal maandsalaris20.000,0091,743.000,00
één dollar particulier370,001,7055,50


Een vrij saaie tuin, geloof ik, maar veel heb ik er ook niet gelopen, met die rugzak (en dat nog zonder de waterpijp!). Ik rust op een paar bankjes, en zit veel naar de mensen te kijken. Er lopen oma's en moeders met kinderen, wandelwagentjes, en af en toe komt er ook een vriend en vriendin voorbij. Kerouac kan ik in dit land onmogelijk lezen. Ik schrijf wat, en vul mijn fles bij met water uit het voor alle kinderen in het park veel te hoge fonteintje.
     Ondanks de kaart dwaal ik, in brandende hitte, maar uiteindelijk vind ik het station. Ik koop toch maar een fles sinas (geen cola meer, na vijf dagen in dit land). Best duur, met 350 lei ongeveer een dollar. Voor 17 lei koop ik ook nog twee bananen, twee perziken en twee (vlees-)tomaten (appels, peren, sinaasappels zijn er niet; kiwi's gelden als typisch westerse vruchten). Ik wil de Oriënt-Express richting Istanbul nemen. Die vertrekt om half twaalf 's avonds van Boekarest. Het is één uur. Ik heb geen zin meer om met die rugzak om nog door Boekarest te gaan lopen, en bovendien ligt het station vrij ver uit het centrum. Ik heb alle bezienswaardigheden wel gezien volgens de reisgids (die zegt: "twee à drie dagen Boekarest zal voor de meeste mensen genoeg zijn", een hoge schatting. Overigens is de reisgids na één jaar hopeloos verouderd, en nauwelijks meer bruikbaar!). Ik ga in het station op mijn rugzak tegen de muur zitten.
     Vlak bij me installeert zich een groep Nederlanders. Ze lijken vrij simpel, en ik heb nu geen zin om Nederlands te praten. Na al dat Duits in Arad en Timişoara wil ik wel weer Engels praten. Maar het blijkt dat de trein van tien uur naar Sofia er nog staat (180 minuten vertraging aangekondigd), en ik raak toch met ze in gesprek. Met twee Noren gaan we eens kijken. Het is een luxe Russische trein, afkomstig uit Sint Petersburg, met veel slaapwagens en een schemerlampje achter elk raam. Maar instappen lukt niet. Bij elke ingang staan Russen, en interrail vinden ze niet mooi genoeg. Het gaat ze niet om een reservering. De Noren hebben het er over dat ze omkoopbaar zouden zijn voor vijf dollar of zo. Ik probeer bij vijf verschillende deuren om met alleen interrail binnen te komen, maar slaag er niet in. Als de trein vertrekt, springen er wat interrailers op. Iedereen wil hier zo snel mogelijk weg.
     Ik vermijd de overige Hollanders, en sluit me aan bij de Noren. Ze waren nog dezelfde ochtend in Boekarest aangekomen, en vooral Gunnar wil nu zo snel mogelijk weer weg. Hij ziet veel bedroefde mensen. Desnoods, zegt hij, lopen we de grens over. Dat lijkt mij een prachtig idee, en mijn kaart komt goed van pas. Naar de grens (de Donau dus) lijkt niet meer dan een uurtje trein. Misschien lukt het om Bulgarije in te lopen. Vlak na de grens ligt in Bulgarije een vrij grote stad: Ruse.
     Ik heb weinig zin om ook nog een tijd in Bulgarije te blijven. Ik geloof dat oostblok wel, na vijf dagen Roemenië. Ik wil nu eerst naar Istanbul, misschien dat ik Bulgarije op de terugweg nog doe. Vanaf dit station gaat de eerste trein naar het zuiden (een grensdorpje zoals Curtiçi, namelijk Giurgiu) ook pas over een aantal uur. Volgens de kaart van Boekarest is het logisch dat de treinen naar Giurgiu van een ander station vertrekken.
     Een al wat oudere Roemeen probeert Dag (de andere Noor) en mij in het Roemeens en op papier te interesseren voor het boren naar olie. Op papier krabbelt hij een boortoren (van opzij en in dwarsdoorsnede) om ons duidelijk te maken wat hij bedoelt. Hij is verbaasd als we hem zeggen dat dat voor ons studenten veel te duur is. Later raken we in gesprek met een Engels sprekende Roemeen. Hij komt net uit het leger, gaat zijn ouders opzoeken, maar heeft zijn trein gemist, en moet net als wij uren wachten. Hij is vriendelijk, en blij dat hij ons behulpzaam kan zijn. Ook zijn instelling lijkt: Ja, ik weet dat het een hopeloos rotland is, je moet gewoon de weg even weten. En het is volgens hem best mogelijk dat er vanaf het andere station meer treinen naar Giurgiu rijden. En dan kunnen we daar misschien overstappen op een express-trein. We leggen hem uit over de express-treinen, en hij begrijpt dat we willen lopen.
     We maken ons geld op (verboden uit te voeren) aan fruit, brood en sigaretten (Carpaţi), en staan op. Als we onze rugzakken omdoen, vraagt hij of het goed is als hij met ons mee gaat. Hij heeft toch niets te doen de eerste uren. Goed idee. Hij besteedt wat veel tijd aan het zoeken naar een goedkope taxi (terwijl juist dat ons niks uitmaakt), en even later rijden we met hem in een noodtempo door Boekarest. Langs het Paleis van de Republiek, dat Dag en Gunnar nog niet hadden gezien, en langs de begraafplaats met de doden van de revolutie.
     Het andere station van Boekarest is klein. Op drie van de vier sporen zijn locomotieven druk aan het rangeren. Een jochie van een jaar of tien speelt met een plastic machinegeweer. Het maakt een kolereherrie. De trein vertrekt pas over drie uur, en gaat niet verder dan Giurgiu. De ex-soldaat keert weer naar het centrum terug, met de taxi.
     Er lopen hier vier uitgemergelde honden rond. Een van hen mist een poot. Ze zijn er altijd in Roemeense steden, en ze houden je wakker; de straathonden. Dierenvoer is al jaren niet meer te koop in het land. We eten en drinken wat, bezoeken een vreselijk gore plee (terugkomend van de plee zeg ik Gunnar: "Gee, it's dirty there. How do they do that?" Hij is even stil, en zegt dan zonder een spier te verroeren: "They piss, you know?"), en bedenken plannen om het machinegeweer onklaar te maken.
     Er komt een trein aan, en er stapt een groep soldaten uit. Ze dragen een uniform in blauwe tinten (legerblauw?), zwarte laarzen en machinegeweren. Niet iedereen draagt een helm, sommigen zeulen met kisten. Het jochie vermaakt zich opperbest met zijn geweer, en schiet ze allemaal dood. Helaas lijkt er nu ook een einde te komen aan het leven van zijn monsterlijke machine. Ik stel nog voor om aan te bieden het te repareren om het dan voor een trein te kunnen werpen, maar Dag en Gunnar hebben sterke tape bij zich en gaan het werkelijk repareren. Het jongetje is er zó blij mee, dat de moeder haar kans schoon ziet om hem het ratelen korte tijd later resoluut te verbieden. Godzijdank.
     Het wordt steeds drukker op het kleine stationnetje, en uiteindelijk komt er dan een trein naar Giurgiu. Mensen stappen in. Het is niet erg druk. Het is een boemeltreintje, maar wel de eerste trein in Roemenië met licht. Krakkemikkig, geïmproviseerd land. Afgeleefd en uitgewoond, en opgebruikt en leeggezogen. "A tremendous disaster," meent Dag. "The country's doomed," profeteert Gunnar.

Lopend over de grens

Het wordt al donker als we in Giurgiu aankomen. De trein komen we alleen maar uit als we de conducteur een pakje Lucky Strikes geven. Hij is niet blij met de wodka van Dag en Gunnar die boven de zitplaats leeg is gedruppeld. Met Dag en Gunnar praat ik ondertussen vooral over Noorwegen en Holland. Ze hadden graag gehad dat Noorwegen iets vriendelijker zou zijn, zoals Nederland. In Noorwegen is alles veel te strak geregeld, zeggen ze. Gunnar is even oud als ik, drieëntwintig, en studeert als ik het goed begrijp econometrie. Dag is twee jaar jonger en heeft lange, witte haren in een staart tot op zijn rug.
     In Giurgiu worden we gelukkig weer geholpen. Een vriendelijke Roemeen weet welke kant de grens met Bulgarije is, en beduidt ons hem te volgen. Ondertussen wordt het vervelend weer. Het wordt (laat 's avonds) warmer, drukkend, en we zien zo nu en dan een lichtflits of horen een donderslag. Het gaat binnen enkele minuten losbarsten. We sjorren onze rugzakken flink vast. Aanvankelijk wordt gesproken over een wandeling van tien kilometer.
     We lopen door het dorp. Gunnar met de Roemeen voorop, al struikelend over en in gaten in de straat. En Dag (die moe wordt) en ik erachteraan, netjes de gaten vermijdend. Het is vochtig en heet, we lopen het dorp uit, en dan draait Gunnar zich naar ons om. Hij is bang dat deze man ons helemaal niet naar de grens wil brengen. Hij had het over een hotel of zo, om te schuilen voor de onweersbui, en verderop staat een groot gebouw in het land. Maar vooral Gunnar is vastbesloten: geen dag langer in dit land. We willen alle drie hier weg. We lopen aan het gebouw voorbij.
     Een aantal keer denkt Dag dat we er zijn, maar pas na ongeveer een uur lopen zien we lichtjes, en begint de gein pas echt. Geen kwaad woord over onze gids, we bedanken hem, en lopen omzichtig op de douaneposten af, half in de verwachting staande gehouden te zullen worden door machinegeweren.
     We lopen door. Er is veel licht van lichtmasten, schijnwerpers en koplampen. Er staan tientallen auto's en vrachtwagens in een keurige rij achter elkaar om te worden doorzocht, en aan de kop van de rij staat één soldaat met een machinegeweer. Op dat moment begint het te stortregenen. Enorme druppels, tijdens hevig onweer.
     "Zullen we gaan rennen?" stelt Gunnar voor. Hij heeft beslist humor. We leveren braaf onze paspoorten in bij een douanier in een klein loketje. Hij zit achter een computer. Een echte! Toch krijgen we te horen dat we wel even een pilsje kunnen gaan drinken. Maar we hebben geen Roemeens geld meer.
     In een met kakkerlakken overladen wisselkantoor wisselen we één dollar. Veel te veel, zijn we bang. Maar in de tax free-shop blijkt die dollar helemaal niet zoveel waard te zijn, en we kopen twee blikjes Nederlands bier van dubieuze herkomst. We rennen heen en weer tussen wisselkantoor, wc, tax free-shop en douane. Uiteindelijk hebben ze onze paspoorten teruggevonden, en mogen we verder lopen. Ik wil wedden dat ik de eerste Nederlander ben die daar lopend de grens over is gegaan.
     In het niemandsland dat we betreden maken we ons druk als ik begrijp dat Gunnar en Dag geen visa hebben voor Bulgarije. Maar ze weten zeker dat de ambassade gezegd had dat dat niet nodig zou zijn, en dat zal dan wel. Het is opgehouden te regenen. Het is een grote betonnen weg, rechtuit, zonder voetpad (er komt toch geen verkeer langs), maar met aan de zijkant een opstaande rand. Aan beide kanten van de weg ligt een flink moeras. Rechtdoor is de enige mogelijkheid.
     Na ongeveer een halve kilometer hebben we het einde van de volgende rij vrachtauto's bereikt. Ik denk dat er een rij staat van ongeveer een kilometer. De meeste chauffeurs slapen, maar anderen zitten buiten te zuipen, of koken met z'n allen eten op een gasstelletje. De mensen zijn niet onvoorbereid naar deze grens gekomen.
     Aan de kop van de rij zien we de brug opdoemen. Twee grote massieve pilaren aan elke kant van de weg markeren het begin. Het is donker. Verder zien we niet zoveel. Pas als we vlakbij zijn, zien we een soldaat tussen de pilaren staan. Hij houdt ons tegen, wil weer onze paspoorten zien. Natuurlijk, deze brug is een van de weinige mogelijkheden om de Donau over te steken. Het verbaast me dat hij maar alleen is. Hij knikt ons toe en maakt ruimte, en we beginnen aan de klim omhoog.
     Het is een brede, grote brug, één van de slechts drie grensbruggen over de Donau. De rivier vormt over een totale lengte van vijf- of zeshonderd kilometer de grens. Ruim honderd kilometer naar het oosten is volgens de kaart een brug in Silistra, en dan meer dan driehonderd kilometer naar het westen pas een brug bij Vidin. Zo nu en dan komen ons vrachtauto's achterop, en weer stappen we regelmatig in gaten in de weg. We lopen hoog boven een moeras. Veel groen en veel water diep beneden ons. De Donau is nog niet in zicht. We lopen verder en verder. Het trottoir langs de brug is niet breed. We lopen achter elkaar, maar krijgen regelmatig lichtseinen of getoeter van de chauffeurs. Er wordt hier schijnbaar niet zo vaak gewandeld.
     Dan stopt er een vrachtauto naast ons, en de deur gaat open. Terwijl de chauffeur ons iets vraagt in een onbegrijpelijke taal, vormt zich erachter onmiddellijk een grote rij. We vragen hem een lift, we denken tenminste dat hij ons die aanbood. Gunnar klimt als eerste in de cabine, neemt de rugzakken aan en legt ze op het bed. Daarna stappen ook Dag en ik in, en met moeite begint het gevaarte weer aan de klim. Tot mijn verbazing is het de eerste keer dat Gunnar in een vrachtauto zit. De chauffeur komt uit Turkije. Rond de voorruit hangt kerstverlichting: felgekleurde lampjes die aan en uit springen. Op het dashboard ligt een vreselijk grote stapel paperassen. Paspoort, formulieren, pasfoto's, papier, pennen, en bovendien een halve krat bierflesjes.
     Hij gaat naar Istanbul, maar de conversatie is vrij moeilijk; hij spreekt wat Engels. We begrijpen dat het waarschijnlijk een uur of vijf gaat duren bij de Bulgaarse grens, met een volle vrachtwagen. "Maybe ten." Als we weer bij het eind van de volgende rij stoppen, vlak voorbij het hoogste gedeelte van de brug, besluiten we om toch maar niet op de formaliteiten aan de grens te wachten. Lopend gaat het vast sneller. We bedanken hem hartelijk, stappen weer uit, en vervolgen onze weg langs de rij, naar beneden.
     In het moeras onder ons is het een kabaal van jewelste. Een paradijs voor krekels en andersoortige insecten. Er lijkt geen einde te komen aan de brug. We hebben al kilometers niemandsland achter ons liggen, en nog geen Bulgaar gezien.
     Maar dan komt weer de kop van de rij wachtende auto's in zicht. Lichten, soldaten, douaniers, uniformen, en zelfs een hotel. Het is een uur of twaalf, misschien één, maar het is nog snikheet. Buiten het douanekantoortje zitten twee mannen achter een houten tafel. Ze zijn hogelijk verbaasd als we aan komen lopen. Mijn visum wordt grondig bestudeerd, terwijl Dag en Gunnar door mogen lopen. Ze staan drie meter verderop in Bulgarije te wachten terwijl de douanier mij vorsend aankijkt. Maar dan kunnen we echt verder. Eindelijk in Bulgarije.

Een ochtend in Ruse

Ruse, de eerste grote stad over de grens, lijkt niet dichtbij. Aan de horizon zien we wat licht, en we gaan vlak bij de grens staan liften. Er komen weinig auto's voorbij. We bedenken ons dat de meeste chauffeurs na alle problemen bij de douane misschien direct het hotel induiken, om eindelijk te kunnen slapen. We overwegen nog om te gaan lopen naar de stad, maar met die rugzakken is dat misschien wat te veel gevraagd. Een taxi dus. Dag gaat informeren. Drie dollar is wel heel veel, maar vooruit. Het is nacht, en we kennen het land niet. En overal dat cyrillische schrift.
     We gooien onze rugzakken in de taxi, en stappen in. Overal liggen plassen op straat. De taxi rijdt hard, en moet soms over het trottoir om gaten in het wegdek te ontwijken. Het is best ver naar Ruse. We zijn blij dat we niet zijn gaan lopen. Nee, geen hotel, doe ons maar een station.
     Het is een prachtig station, zeker na Roemenië, maar bovenal is het schoon en groot. Het lijkt wel een paleis, en er is een brede trap naar boven. Als we op de marmeren vloer zijn gaan zitten, durven we onze peuken en as niet op de vloer te gooien, en maken asbakjes. De man achter de toonbank van het winkeltje wil wel dollars wisselen; 23 leva voor een dollar. Het moet me van het hart dat ik de twee Noren nogal op het geld vind zitten. Ik ben zeker tijdens de vakantie niet zo bezorgd om geld, maar Gunnar staat er op dat hij alles aan me terugbetaalt, en andersom verwacht hij dat ook ik keurig een derde deel van de kosten voor mijn rekening neem. Precies één derde deel, liefst op de cent (øre) nauwkeurig. Maar ik zeg er niks van.
     Twee Turken die bij ons zijn gaan zitten (handig, want dan kunnen we op elkaars bagage letten), vertellen ons dat dat ongeveer wel een goede wisselkoers is. Ze spreken Turks, Bulgaars en Hongaars (en misschien nog wel meer), en wij Noors, Nederlands, Engels, Frans en Duits. Er komen weinig woorden overeen, maar we kunnen een goed gesprek voeren en zelfs meer dan dat. We begrijpen elkaar. We vertellen elkaar over Noorwegen en Holland, en over Bulgarije en Turkije. Weer mensen die al honderden jaren in Bulgarije wonen, maar zich Turken voelen. We kopen wat eten (dat is hier wel in overvloed aanwezig) en drinken, en gaan luieren. We zijn moe van de wandeling en de belevenissen. Met de Turken praten we over Bulgarije, geholpen door de kaart van het land. De scheuren in de marmeren vloer en muur van het station zijn niet van een aardbeving maar van de langsdenderende treinen. Ze leggen ons uit dat het niet verstandig is om over Sofia te gaan. Dat ligt ver uit de route. Plovdiv lijkt ze beter. En ja, daar stopt de Oriënt-Express ook. En dus besluiten we de Turken te volgen. Ze zijn uitzonderlijk vriendelijk.
     Het station is geheel verlaten. Behalve de man in het winkeltje, een sigarettenverkoper vlak daarbuiten, de twee Turken en wij drieën is er niemand. Maar als ik op onderzoek ga, stuit ik op een grote zaal op de eerste verdieping van het gebouw, met een grote groep Russen. Of althans, ik denk dat het Russen zijn. De ene helft slaapt, de andere helft is vreselijk zat. Er zijn er in totaal wel dertig of veertig, en ze zijn uitbundig. Maar er valt geen woord mee te wisselen (niet vanwege het taalprobleem, maar vanwege de wodka), en we gaan weer naar de stationshal. Dag is gaan slapen, maar het lukt niet echt.
     In de loop van de nacht komen steeds meer mensen het station binnen. De trein naar Plovdiv vertrekt om een uur of vijf, zes. Er komt nog een korte maar hevige stortbui over, waarbij Gunnar en ik direct naar buiten rennen om even af te koelen. We worden gek aangekeken door alle mensen die schuilen voor de regen. Ook buiten het station lijkt het een heel mooi land. We lopen even door de straten van Ruse. De mensen kijken ons vriendelijker aan dan in Roemenië (waar altijd een beetje achterdocht heerste voordat ze werkelijk vriendelijk werden), en het land ziet er vreselijk schoon en netjes uit, ook een verademing na Roemenië. Zelfs de toiletten zijn relatief schoon, hoewel er alleen een gat in de grond is. We hebben het westen verlaten. Ik heb het gevoel of ik duizenden kilometers van huis ben (dat is ook zo), maar voel me ook thuis door de enorme vriendelijkheid waarmee we bejegend worden.
     In de trein, ons aangewezen door onze Turkse vrienden, oefenen Gunnar en ik op de naam van het station waar we over moeten stappen; Gorna Orjachovica. We sluimeren wat, worden gelukkig gewaarschuwd door de Turken in Gorna Orjachovica, en stappen samen met hen over op de trein naar Plovdiv. Ook de treinen zijn mooi, schoon en goed onderhouden.
     Het is heel opmerkelijk dat in Bulgarije, op het moment dat je Roemenië verlaat, plotseling weer bomen staan. In Roemenië zijn de bossen al jaren geleden gekapt om de huizen warm te stoken, maar nu kijk ik vanuit de trein werkelijk mijn ogen uit naar het snel veranderende Bulgaarse landschap. Het is prachtig. Bergen en heuvels, groene bossen, rustieke beekjes, uitgestrekte weilanden. Als ik ooit nog eens deze kant op reis... Gunnar ziet voor het eerst van zijn leven ooievaars. Het is dat ik nu echt naar Istanbul wil, maar nog steeds denk ik er over om op de terugreis door Bulgarije te gaan. Wat mooi, wat een mensen.
     Natuurlijk, ik overdrijf. Er zijn ook veel industriële gebieden. Buiten Ruse ziet het grijs van de uitstoot, er rijden oude auto's over vervallen wegen, en er staan zo her en der kapotte of half afgebouwde huizen. Ik heb slaap en wil romantiseren. De armoede is er wel, maar het is zó klein in vergelijking met Roemenië.
     Dag slaapt nog steeds, maar Gunnar en ik besluiten dat het nu nauwelijks het tijdstip daarvoor is. Het is lang geleden dat we zoveel natuurschoon zagen. Maar toch vallen we in slaap, worden weer door onze vrienden gewekt, en ze zetten ons op de trein naar Plovdiv. Daar nemen we afscheid van ze. Het blijkt de tweede stad van het land te zijn, maar het komt niet echt groot over. Een half miljoen inwoners? Volgens de encyclopedie nog iets minder zelfs.

Plovdiv

Eerst moet er maar ontbeten worden. Het is denk ik ongeveer twaalf uur. Alles is vreemd, niet in de laatste plaats door dat cyrillische schrift. Maar de eerste indruk laat een veel welvarender land zien dan Roemenië.
     We hebben veel trek, en besluiten dus om maar in de stationsrestauratie te eten. De verkenning van de stad volgt nog wel. Rond half één vertrekt de Oriënt-Express naar Istanbul (wat klinkt dat mooi). Het is niet helemaal duidelijk wat ze in de stationsrestauratie allemaal te eten hebben. Het is een toonbeeld van ongezelligheid, het oostblok in een notedop. We bestellen (met handen en voeten) gewoon 'iets lekkers,' in de hoop dat dat te eten zal zijn. Goede verhalen gehoord over het eten in Bulgarije, dus wat zou het? Duur kan het ook niet zijn in een staatsgelegenheid, denken we.
     Maar dat pakt anders uit. Een kwartier wachten we op een portie frites, een flink doorbakken stuk leer dat vlees wordt genoemd, en wat groente. We drinken ieder één slok vies bier, en betalen tientallen leva per persoon. Absoluut vies eten (het vieste dat ik ooit at?), terwijl we toch trek hadden, maar zelfs de boontjes waren niet zoet. En dan nog afgezet ook!
     We geven onze rugzakken op het station in bewaring, en gaan eerst geld zoeken. Dat blijkt nog een flink probleem. Diensten en winkels worden slecht aangegeven. In een achterafwinkeltje in een achterafstraatje wisselen we een paar contante dollars. We zijn doodmoe, en het is weer eens snikheet. We willen allemaal niets liever dan een douche, maar die zal er vóór Istanbul wel niet komen. En we zijn nu in Bulgarije, met een aantal uur de tijd, en besluiten dus om Plovdiv wat nader te bekijken. Bij het station roepen we een taxi, en vragen hoe duur het naar het centrum is. Hij wil twee dollar of 46 leva. Het valt me op dat de valuta hem niet uitmaakt (er is relatief weinig inflatie). We hebben geen flauw idee hoe ver het is, en accepteren. Vanuit de taxi lijkt het een grauwe stad, doorsnee oostblok, met veel flats, en veel groen tussen brede boulevards.
     Aan de taxi's valt al te zien dat Bulgarije meer islamitisch is dan Roemenië; de kerstverlichting knippert vrolijk langs alle raampjes, en de chauffeur heeft gordijntjes, mascottes, noem maar op. Op het dashboard prijkt een sticker van de Zweedse amateur boksvereniging (in Scandinavië is alleen het professioneel boksen bij wet verboden). Vlak voor de snelweg een tunnel induikt, stopt hij langs de weg, en weet ons duidelijk te maken dat we een trap op moeten, over de brug heen, om in het centrum te komen. We betalen, bedanken, en komen tot de ontdekking dat het nog waar is ook. Boven de snelwegen ligt een gigantisch gebouw (ik dacht dat het de schouwburg was of zoiets), met daarachter het oude centrum van de stad.
     We snuffelen wat tussen de stentjes achter het gebouw. Ik zoek nog een Bulgaarse Donald Duck (vanwege het cyrillisch schrift), maar vind die niet. Gunnar zoekt een fototoestel, maar ook dat lukt helaas niet. Dan lopen we door, het oude centrum in. Kinderkopjes op straat, oude huisjes met houten daken, veel kleuren, en veel groen. Een schat van een stadje. De reden dat er hier zo weinig toeristen op straat zijn, moet gelegen zijn in het feit dat we in Bulgarije zijn. Die rust draagt overigens voor ons gevoel in hoge mate bij aan het schattige en mooie van de stad. Na slechts enkele meters in het oude centrum zijn we alle drie verliefd.
     In mijn Bulgarije-boekje staat een heus Romeins amfitheater beschreven. We besluiten er naar op zoek te gaan. Via trapjes met een kleine afstand tussen de treden, en erg smalle treden, komen we steeds hoger boven de stad. En daar bevindt zich dan ook het amfitheater. Veel amfitheaters heb ik in mijn leven niet gezien, maar deze lijkt me goed behouden of gerestaureerd. Een handvol mensen is, getooid met hoofddeksels tegen de brandende zon, met emmers sop de tribunes aan het schrobben. Alleen achter het podium liggen wat kapotte beelden, maar de banken voor het publiek zijn nog geheel intact, en beneden ligt een podium van hout. We vermoeden dat er nog steeds regelmatig openluchtvoorstellingen gegeven worden.
     Na ook van het uitzicht over de stad genoten te hebben (er zijn opmerkelijk veel kerken, maar een moskee heb ik niet gevonden), besluiten we verder te lopen. Op de weg naar beneden stuiten we op een groepje jongeren, dat ons sigaretten aanbiedt. Het gesprek verloopt stroef. Een van hen spreekt enkele woorden Engels en Duits, maar verder moeten we het met handen en voeten doen. Het valt ons op dat ze lange haren hebben, dat er jongens bij zijn met oorbellen, en het meeste van de conversatie wordt gebruikt om naar elkaar te kijken. Net zoals zij in het Bulgaars tegen elkaar opmerkingen over ons maken, praten wij onderling in het Engels over hen. We nemen maar afscheid van ze.
     Beneden zien we een groot uithangbord van een café/restaurant, en gaan naar binnen. Net zoals in de stationsrestauratie ook hier weer geen versieringen, zo saai als het maar ingericht had kunnen worden. Recht-toe-recht-aan-stoeltjes, tafeltjes, licht en een deur. Dat is het. Aan een tafel in het midden zitten wat obers met elkaar te praten. Ze zien ons wel binnenkomen, maar het valt niemand echt op. Er blijkt een Turkse plee te zijn. Als ik om wc-papier vraag, krijg ik van een schouderophalende ober drie velletjes. Hij zegt niets. Zoek het maar uit.
     Als ik terugkom, zijn Gunnar en Dag op het terras gaan zitten. We wachten een hele tijd op bediening, maar die komt niet. En zelfs nadat we naar binnen zijn gegaan, en onze bestelling hebben opgegeven, duurt het eeuwen voor er iemand met het gevraagde langskomt. Het bier dat Gunnar besteld heeft, blijkt die benaming nauwelijks waard te zijn. We hadden nog een beetje hoop op Tsjechisch bier, maar helaas. Bulgaars dus. We besluiten om in Bulgarije verder alleen nog maar wijn te drinken.
     We gaan op zoek naar één van de restaurants die in mijn reisgids staan aanbevolen. De Bulgaarse keuken moet een van de beste van Europa zijn, en dat willen we wel eens zien. Na Roemenië en al die treinen is vooral Gunnar er erg voor om eindelijk eens echt goed te gaan eten. Het vinden van een restaurant blijkt nog niet zo makkelijk. We komen welgeteld niemand tegen die een verstaanbare taal spreekt, en telkens moeten we de naam van het restaurant dat we willen bezoeken aanwijzen in de gids, worden verder doorverwezen (links, rechts, links, rechts, links, en dan maar weer eens vragen), om uiteindelijk uit te komen bij een bonthandel. 'Ja, dit was heel vroeger, een maand of drie geleden, wel een restaurant' (maar kijk niet gek op als het over een maand weer iets heel anders is). Wat een puinhoop. Maar dan wenkt ons een ober. Het is precies zes uur.
     Het is vreselijk chique en schoon binnen. We voelen ons misplaatst (waar blijft die douche), maar zijn ontelbare malen rijker dan die ober in zijn pinguïnspakje, en hij lijkt erg blij met ons te zijn. Hij is overdreven beleefd. We besluiten er de tijd voor te zullen nemen. We kunnen wel wat rust gebruiken. Binnen is veel zwart en veel goud. In het midden van de zaal is een open keuken, en als in een circus om de piste zijn de tafeltjes hier in tribunes rond de keuken geplaatst. We kiezen een tafel ongeveer zes rijen hoog. De tafel is met zilver gedekt, en op elke tafel staat een modern vormgegeven beige schemerlampje.
     Natuurlijk gaat het gesprek al een tijdje over de achtergronden van de omstandigheden die we aantreffen. Eigenlijk hebben we het over weinig anders gehad sinds we Roemenië verlieten. Het is intrigerend om te zien hoezeer de overheid zich heeft bemoeid met het leven van de burger, en hoe dat heeft uitgewerkt. Natuurlijk is een land als Portugal er ongeveer even slecht aan toe, maar het is hier des te schrijnender, omdat de machthebbers nog maar zo kort geleden zijn verdwenen, en de burgers met die democratie haast geen raad weten, laat staan met het kapitalisme.
     Het is niet druk in het restaurant, van de zestig tafels zijn er hooguit vijf bezet. Maar het is nog vroeg, dus die drukte zal dan nog wel komen. Alle gasten lijken Bulgaars te zijn. Het duurt vrij lang voor er iemand komt. Een lieftallige dame in zwart-wit brengt ons uiteindelijk één kaart. Ze dekt de tafel vreselijk netjes. "Dank u zeer, mevrouw." Het is altijd leuk de mensen in het Nederlands aan te spreken. Natuurlijk zijn alle tekens op de kaart cyrillische. Omdat ik een paar van de tekens kan lezen, krijg ik 'm in handen gedrukt, maar ik weet ook niet wat reerug in het Bulgaars is, en we scharen ons er gedrieën rond. Ik merk op dat een van de bladzijden duurder is dan de rest, en concludeer dat dat hoofdgerechten zijn. En Gunnar merkt een bladzijde met druifjes op. Wijn dus, en hij kiest een naam die hij wel geschikt acht. Meer hoeven we eigenlijk niet te weten.
     We roepen mevrouw weer, en Gunnar wijst de bedragen van de gerechten die we willen hebben op de kaart aan. Het wordt wat onduidelijk, en hij pakt een vork om voor haar de prijzen met de namen te verbinden. Dan snapt ze het, of althans, ze begint te schrijven. Hij kiest willekeurig drie goedkope en drie dure gerechten, en wijst de wijn aan.
     Het gaat al sneller. Nog maar een paar minuten later komt ze met de wijn, laat die door Gunnar voorproeven, en kort daarna staat ze alweer bij ons met het voorgerecht. Of althans, met wat we denken dat het voorgerecht is. Ze verspreidt zes bakjes her en der over tafel, en knikt ons een smakelijk eten toe. De bakjes zijn gevuld met schilderachtig eten, maar alles is koud. We determineren brood, geitekaas, asperges, en nog een paar dingen, en in elk geval drie bakjes vol met kaviaar. Een rode, een zwarte, en nog iets dat volgens Gunnar nepkaviaar was.
     Maar het smaakt heerlijk (behalve de kaviaar), en we geven de bakjes rond. Het gesprek ondertussen leidt tot diep in de geschiedenis van Oost-Europa. We zijn het niet altijd over het gebruik van geweld eens, maar het boeit ons alle drie. De invloed van Duitsland, de magie van de Donau, de tragiek van de Balkan, en de immense rijkdom van vooral iemand als Ceauşescu. Het eten is snel op, en pas daarna begrijpen we dat we gewoon zes voorgerechten hebben gekregen omdat het natuurlijk nog lang geen etenstijd was. En die 'hoofdgerechten' die we hadden uitgekozen, waren alleen maar zo duur omdat het kaviaar was. Omgerekend meerdere guldens per bakje, meen ik.
     Dan besluiten we om nog maar een nieuwe fles wijn te laten komen, en het gesprek belandt ondertussen op enkele historische tegenstellingen over Marx, Trotski, Lenin, Stalin, en hun respectieve verantwoordelijkheden voor de situatie. En uiteindelijk de vraag in hoeverre Lenin geestelijk vader van het hedendaagse socialisme was. Dag heeft, hier rondkijkend, voor Lenin geen goed woord over, en Gunnar en ik proberen nuances aan te brengen. Met in onze maag de wijn en kaviaar die we ons hebben kunnen veroorloven dankzij dollars. We discussiëren urenlang. We komen er niet echt uit, en vragen uiteindelijk maar om de rekening en verlaten het restaurant.
     We hebben wel genoeg gegeten, en gaan op zoek naar een terrasje om het gesprek voort te kunnen zetten. We vinden een prachtig terras aan het water, en Gunnar heeft door wat wijn in het Bulgaars is. Dat bestelt hij, maar de ober blijft nog even staan. Op hetzelfde moment realiseert Gunnar zich iets, en vraagt naar de prijzen. Een glas wijn is schandalig goedkoop. Dat willen we niet op ons geweten hebben, en we bestellen direct een fles. Naarmate de hoeveelheden wijn groeien, vermindert de vurigheid van de discussie. We zitten met onze voeten op het hekje aan de waterkant van het terras uit te blazen van alle vermoeidheden, praten vooral over Noorwegen en de economie, en gaan als de fles leeg is de stad weer in.

Het hardrock-café

Ergens in een winkelstraat in voetgangersgebied vinden we een hardrock-café. Dat we dat niet eerder hadden gezien! Hardrock-café Plovdiv. En zowaar, er hangen posters van duivels aan de muur en er zitten jongeren met lang haar binnen. Alle haar is ongeveer even lang: ongeveer twee jaren. We gaan binnen aan een tafeltje zitten. Het café is opmerkelijk licht. Witte muren (met wel veel posters), TL-lampen (!), en een bar naast de trap naar beneden. Vanaf de winkelstraat kijk je recht op de bar. Iedereen drinkt Bulgaars bier, maar Dag en ik bestellen cola. Alleen Gunnar houdt vol met de wijn.
     Ondertussen worden we door de bargasten van top tot teen onderzocht, en Gunnar stelt voor ons bij een groepje van ongeveer zes mensen te voegen. Praten lukt niet. Slechts één of twee mensen spreken een handjevol Engels, iemand Duits, maar het meeste van de conversatie bestaat uit het tegen elkaar noemen van namen van hardrockbands. Metallica, Motörhead, Ozzy Osborne, Guns 'n' Roses, Iron Maiden, noem ze maar op. Maar we begrijpen steeds meer. Een zekere Ivan krijgt de slag van het Engels steeds meer te pakken. Er hebben zich al zeker twintig mensen om ons heen verzameld, er wordt regelmatig in het Bulgaars vertaald.
     Ondertussen groeten Gunnar en Dag me. Ze gaan weg, Gunnar fluistert me toe dat ze stuff aangeboden hebben gekregen, en ze gaan een plek zoeken om dat op te roken. Ik heb voldoende wijn op om in het café te blijven, en bovendien kom ik uit Nederland. Ik ben minder gebrand op het roken van stuff in het buitenland, omdat het in de plaats waar ik woon legaal is. Waarom zou ik dan al die moeite doen om een joint in het buitenland te roken, terwijl het daar verboden is? Maar voor Gunnar en Dag ligt dat iets anders. Bij hun thuis is het net zo verboden als in Bulgarije. Zij zijn aan die illegaliteit gewend.
     Mijn gesprek vlot steeds beter. Het klopt dat op het moment dat Zjivkov verdween de jongeren begonnen zijn hun haar te laten groeien. Lang haar was voor jongens onder Zjivkov streng verboden. En we zitten in het eerste hardrock-café van Bulgarije. Het is nog maar een maand geleden geopend. Zelfs in Sofia is nog geen hardrock-café. Ja, Roemenië is er beduidend veel erger aan toe dan Bulgarije, dat weten ze ook wel. Maar ik moet niet vergeten dat het in Bulgarije ook slecht is! En iedereen drinkt hier bier. Vies? Nee, zij vinden van niet. En als ik zeg dat ik veel Bulgaarse rode wijn heb gedronken, barst hoongelach los. Nee, als je dan toch zo nodig die Bulgaarse wijn moet drinken, neem dan de witte.
     Alle moois van Bulgarije wordt door ze weggewuifd, zelfs de binnenstad van Plovdiv of het landschap. Ooievaars, wat moeten we nou met ooievaars? Het westen wordt op ongelooflijke wijze verheerlijkt, hier vooral de landen in West-Europa, in tegenstelling tot Roemenië waar Amerika het lichtend voorbeeld is.
     Maar vooruit. Waar blijven Gunnar en Dag trouwens? Het is allang donker buiten, en de barman geeft zijn laatste rondje. Ik wissel adressen uit met Ivan (op het pakje Carpaţi sigaretten), en we worden door de barman buiten gezet. Het is twaalf uur. Wat nu gedaan? Het begint al wat kouder te worden. En daar sta ik dan, middenin een onbekende stad in Bulgarije, met alleen schoenen, broek en T-shirt. Het bonnetje van de rugzakken is in bezit van Gunnar. En waar mag die dan wel zijn? Aanvankelijk wil ik blijven wachten. Al die jongeren hangen nog steeds om me heen. Een stuk of tien, vijftien zijn er nog over. Ivan neemt afscheid als ik hem vertel dat ik hier wacht op Gunnar en Dag. Een stuk of vijf mensen blijft bij me. Ik begin te vrezen dat Gunnar en Dag helemaal niet meer terugkomen. Zo stoned als een pier, vergeten, sorry, hoor. En wat als ik ze niet meer zie? Blij dat ik tenminste mijn paspoort en visum bij me heb, maar die rugzak dan? En een trui zou ook niet gek zijn nu. Wat dacht je van een sigaret? Ik krijg er een aangeboden.
     Een zekere Galina zegt me dat ik hier niet mijn hele leven kan blijven wachten. Misschien is het slimmer terug te gaan naar het station. Daar moeten Gunnar en Dag immers vanzelf ook komen... Dat klinkt logisch, en na even dubben laat ik me door de vrienden in een taxi duwen. Leuk, hoor: de heenreis van station naar centrum was 46 leva, maar de terugreis doe ik met een stuk of vijf Bulgaren (het is vreselijk vol in de taxi), en kost dus maar 4 leva. Vier ja.
     Afijn, niet ongehavend komen we aan bij het station en de chauffeur haalt ons met behulp van een schoenlepel uit zijn taxi. Er wordt betaald, en daar zitten we dan. Galina spreekt wat Duits, maar het is heel moeilijk om eerst Duits tegen haar te spreken, en dan voor de jongens alles weer naar het Engels/Duits/gebarentaal te vertalen. De bagageruimte kom ik niet in. "Waar is uw kaartje?" Gelukkig kan Galina het voor me vragen, en vertalen, maar ik schiet er niets mee op. Ik ga op de stoep voor de bagageruimte zitten, en begin te wanhopen. Gunnar en Dag liggen nu laveloos in een park? Voor het hardrock-café? In Sofia? Wat zouden ze hebben gerookt? Ik wil zien of hun rugzakken er nog zijn. Ik vraag het aan Galina, en ze gaat het proberen. Maar als het niet lukt, en ik ook mijn eigen rugzak niet te zien krijg, begin ik te janken. Dat was de druppel. De vijf willen nog lang niet weg. Het moet al een uur of een zijn, maar ze blijven bij me. Ze troosten me, leggen een arm om mijn schouder, en geven me zelfs brood en worst. Heerlijk.
     Uiteindelijk heb ik de rugzakken toch te zien gekregen, de jongens vonden het gek dat ik huilde, ik heb sigaretten van ze gekregen, nog meer brood, en uiteindelijk zelfs een polsbandje. "Friends", wist de gever. Een ander kon niet achterblijven en knoopte een leren bandje om mijn hals. En maar wachten tot Gunnar en Dag hun rugzakken komen ophalen. Halen we die trein naar Istanbul nog? Wil ik nog wel naar Istanbul? Tot hoe laat wacht ik uiterlijk voor ik de verzekering ga bellen?
     Dan stopt er een taxi voor mijn neus, en een aangeslagen Gunnar komt er uit. Dag loopt er wat weifelend achteraan. Gunnar vindt het heel erg. Hij wist ook niet dat het hardrock-café zo vroeg al zou sluiten. Hij voelt zich verantwoordelijk, en heeft zoiets nog nooit meegemaakt. Hij vertelt me wel tien keer hoe schuldig hij zich voelt, en ik relativeer het wat. Ik ben allang blij dat ze er weer zijn, zeg dat huilen een mooie methode is om aandacht te krijgen, maar hij blijft de schuld op zich nemen. We omhelzen elkaar.
     Het afscheid van de vijf Bulgaren wordt heel speciaal, duurt lang. We halen eindelijk de rugzakken op. We besluiten er maar niet meer over te praten, en nemen dan de nachttrein naar Istanbul. Ik ben doodop, maar slapen komt er niet van.

Istanbul

Ik herinner me een rusteloze nacht. Een razende trein door uitgestrekte vlakten. Ik zou moeten slapen. Al een paar nachten achter elkaar heb ik slecht geslapen. De banken zijn goed. De trein schommelt niet te veel. We liggen met z'n drieën in een coupé voor acht. En toch lukt het maar nauwelijks. Ook Gunnar slaapt weinig. Vroeg in de ochtend komen we aan de Bulgaars-Turkse grens.
     Het station is klein. Er ligt hier geen dorpje, denk ik. Slechts twee betonnen gebouwen, door een gang met elkaar verbonden, en een paar douaniers die driftig heen en weer rennen. En dat alles in de totale verlatenheid van maïsvelden tot aan de horizon, en een opkomende zon. Ik kan me geen controle herinneren.
     Op weg naar Istanbul. Nog ruim 200 kilometer. Dag slaapt weer in, maar het lukt Gunnar net zo min als mij, en hij zet zijn walkman aan. Muziek...! Gelukkig heeft hij nog een set koptelefoons, en ik zet ze op. Jean-Michel Jarre helaas, maar dat zal me op dit moment worst zijn. Het is heerlijk, even een 'shot' muziek van willekeurige kwaliteit. Het land buiten wordt iets meer heuvelachtig, veel koolzaad of mosterd of zo, en we komen wat steden voorbij. Maar er wonen hier (je kunt het bijna een schiereiland noemen) opmerkelijk weinig mensen. Enkele boeren, ver van elkaar. Het lijkt of het land door de metropool Istanbul is leeggezogen.
     Na enkele uren verschijnen de buitenwijken van de stad. Dicht opeen gebouwde kleine huizen met kleine ramen. Het is flink warm buiten. Ik ben onder de indruk hoe lang de buitenwijken voorbij blijven razen. In Duitsland heb je in het Ruhrgebied soms uren aaneen bebouwing, maar dit mag er toch ook zijn. Eindelijk naderen we het station, na lange tijd langs het water te hebben gereden. De Zee van Marmara, en de Bosporus.
     Het is nog vroeg als we het station van Istanbul binnenrijden. Eerst geld halen. Het lukt Gunnar en Dag om traveller's cheques te verzilveren op het station, maar het is zaterdag, en ik ben bang dat het postkantoor maandag pas weer open gaat. Ik wissel dus maar een stapel dollars die ik over heb uit Roemenië. Gunnar is makkelijker met het uitgeven dan met het uitlenen van geld. En dan stappen we de stationshal uit, op zoek naar een slaapplaats.
     "Looking for a place to sleep, sir?" Hoe raad je het zo.
     Het blijkt dat het station vlak naast het centrum ligt, en de man brengt ons door de drukke straten (mijn god, wat een verkeer...) naar een hotelletje vlak naast het station. Nog niet eens zo duur. Ik geloof dat ik een tientje per nacht betaalde. Op het eerste gezicht heeft Istanbul veel van Caïro. Het is druk en er heerst een drukkende hitte. Een overweldigend lawaai. En overal zijn mensen. Om je schoenen te poetsen, fruit te verkopen, haast te hebben. Zelfs het verkeer is hier bijna net zo erg als in Caïro. Wat een heerlijk ritme, geuren, klanken!
     Het Aziatische deel van Istanbul ligt ver weg. Üsküdar is veel minder oud en minder groot dan de Europese helft. Het Europese deel van Istanbul omvat het gebied van Byzantium, Constantinopel, in het zuiden, en een nieuwer gedeelte in het noorden. De twee helften worden gescheiden door een zeer brede rivier, danwel lange zeearm, Haliç (Corne d'Or). Het stadsdeel ten zuiden van Haliç is het centrum van de stad. Het lijkt of onmiddellijk buiten de oude stadsmuren van Constantinopel nog steeds alle leven stopt. In het zuidoosten, in de punt, liggen het station, moskee Sultan Ahmed (ook wel de Blauwe Moskee, de grootste van de Arabische wereld, heb ik me laten vertellen), maar ook de bazaars, banken, grote bedrijven en een, ik neem aan, deel van de haven. Veel mensen wonen in het noordelijke gedeelte, waar ook een Koerdische wijk blijkt te zijn. Maar de meeste mensen wonen in wijken aan de kust. Istanbul heeft kilometers lange buitenwijken uitgestrekt langs de kusten.
     Wat we precies wanneer gedaan hebben in Istanbul is moeilijk te zeggen. Ik herinner me zoveel, maar dat is zo onsamenhangend. Ik ervoer het als een zeer speciale stad, een smeltkroes in de meest volkomen zin van het woord. Mensen van allerlei slag, maar ook culturen van allerlei slag, historiën, geuren, kunsten, levenswijzen. Het ene café adverteert met de prijs van de halve liter bier, maar zijn buurman zal geen druppel verkopen, al kreeg ie er half Istanbul op toe. Wat een fenomenale stad, mensen, temperatuur, viezigheid, drukte, ritme, muziek. Meer nog dan Caïro is Istanbul een mengsel van oosterse en westerse culturen. Geografisch gezien ligt het daarvoor op een prachtplek. Maar een groot deel van die westerse cultuur komt toch neer op toerisme.
     Met lang haar naar Turkije is af te raden. Gunnar verzekert Dag en mij er van dat we door meer dan de helft van de mensen worden nagestaard. Vooral van Dags lange, steile, blonde haar is men nogal onder de indruk. Op een avond weten we maar nauwelijks aan een overval te ontkomen. Dag voelde zich niet op zijn gemak omdat ie steeds in zijn kont geknepen werd door de mannen waarvan Gunnar en ik dachten dat ze ons de weg zouden wijzen.
     En, o, die avond in de Koerdische wijk. Ladingen chai naar binnen gewerkt, en veel gepraat met een Koerd over het Turks-Koerdische probleem. In de Koerdische wijk van Istanbul zul je geen Turk zien, andersom net zo min. De Koerd waar we mee praten biedt aan om ons een rondleiding te geven door het Koerdische deel van Istanbul, en geeft ons een telefoonnummer. We besluiten de eerste dag al om een hotel te nemen in de Koerdische wijk, en de volgende ochtend verhuizen we naar een kleiner en goedkoper hotel met louter Turkse toeristen.
     We struinen over de bazaars, op zoek naar meerschaumpijpen, broeken, ringen, waterpijpen, maar willen nog niks kopen. Het gaat voor een groot deel ook gewoon om de sfeer op de bazaars. "Hello, friend! Looking for something to buy? Hello, friend!" Er wordt van alles verkocht. In het overdekte gedeelte in het centrum (ik meen 3000 winkels bij elkaar) zitten vooral winkels met leren jassen, sieraden en prullaria (waterpijpen, beschilderde borden, henna, muziek, bedrukte T-shirts). Buiten, rond het centrum, is veel textiel, maar ook eten en drinken, meer leer, en dieren van allerlei slag. Het schijnt dat er in de wereld maar één markt groter is dan de bazaars van Istanbul, die van Marrakech in Marokko.
     Het is echt heel mooi, heeft een heel aparte sfeer, en doet ergens denken aan Chan-el-Chalili in Caïro. Een van de drukste gedeelten is geheel ingenomen door Egyptische handelaren met meer Afrikaans aandoende waar. Maar de bazaars hier zijn veel grootschaliger dan die van Egypte, veel meer georganiseerd (er zijn winkels, etalages, stoelen), en veel meer gericht op de toeristen. Ik moet zeggen dat het aantal toeristen op de bazaars me nog meevalt. Natuurlijk, het ziet er zwart van (zeker Amerikanen zijn gek op de bazaars), maar de Turken zijn nog wel in de ruime meerderheid. En in het gedeelte buiten met de textiel en prullaria zie je al nauwelijks een toerist lopen.
     Of het moest een huisgenoot van je zijn. Op een van de eerste dagen in Istanbul loop ik op de bazaars Armand tegen het lijf! Hij was hier met een aantal vrienden. De dag erna zouden ze weer naar huis gaan (vliegen!). Ik verontschuldig me en vind Gunnar en Dag later zonder problemen terug in de enorme drukte.
     Ik heb vrij veel moeite met het vinden van goedkope ringen. Een hele mooie (de allereerste winkel in de bazaar duik ik direct in natuurlijk) moet driehonderd gulden kosten, een ander laat me in bakken fake grabbelen.
     De bazaars hebben ergens wel iets van een vrijmarkt in Utrecht. Maar de gehele context is natuurlijk anders. Binnen en buiten stuiven in vliegende haast kleine jochies voorbij met dienbladen chai, mensen praten op opgewonden toon met elkaar, of begroeten elkaar uitbundig, op elke straathoek is wel iemand met handel, hij poetst schoenen, verkoopt meloenen of sinaasappelen, en er wordt veel muziek gemaakt op straat.


Istanbul

De bazaars in Istanbul.


Istanbul

De bazaars (buiten).


Het straatbeeld komt tegelijk Arabisch, oosters, mediterraan en Europees over. Men leeft vooral op straat, maar het is overal even druk. Het is vrijwel onmogelijk ergens de drukte te ontlopen. Ik heb maar een paar plaatsen gevonden. Bovenop de berg in het Koerdische stadsdeel staat een prachtige toren, met eromheen een bijna Frans aandoend pleintje, een van de weinige rustieke plekken van de stad. En er is de overweldigende drukte van het verkeer, die nog versterkt wordt door de nieuwe tram.
     Wat een gevaarte! Een zeer hoge en brede, futuristische tram, in lichtblauw en grijs met een oranje streep en donker getint glas rondom. Het meest opvallend aan de tram is echter dat de wielen niet te zien zijn. De carrosserie loopt tot enkele centimeters boven de grond door. Eén keer reis ik ermee. Het is snikheet binnen. We komen terug van de Blauwe Moskee. Mooie moskee hoor. Vooral groot, maar verder niet zo indrukwekkend. Of het moest de grote hoeveelheid toeristen zijn. De klim er naartoe maakt de meeste indruk. Terug dus maar liever de tram. Er wordt niet gecontroleerd, en we kunnen vlak voor ons hotel uitstappen.
     De rest van de afstanden in Istanbul lopen we allemaal. Mijn schoenen zijn prima. Ik heb nog nooit zo lekker gelopen. Ik heb maar één blaar gehad. We moeten vele kilometers hebben afgelegd. Alleen al van het Koerdische hotel naar het centrum is een flinke wandeling. En overal die Amerikaanse auto's! Natuurlijk bestaat het grootste deel van de auto's op straat uit taxi's, maar als iemand zich ooit heeft afgevraagd waar alle afgedankte Yellow Cabs van New York zijn gebleven... Ze zijn er gek op. En het liefst nog grotere modellen, met drie banken achter elkaar.


Istanbul

Zwerfkatje in Istanbul.


De ochtend na onze avond op het Koerdische terras probeer ik direct om de Koerd te bellen. Ik spreek van ons drieën het beste Duits. Eerst natuurlijk een muntje kopen op straat, en dan een openbare telefoon vinden. Wel spannend, telefoneren in Istanbul. Maar er wordt niet opgenomen. Dezelfde avond probeer ik het nog vanuit ons stamcafé, en nu wordt er opgenomen. Een vrouwenstem in het Turks. Ik probeer snel duidelijk te maken dat ik liever Duits spreek, maar er wordt mij verteld dat ik een verkeerd nummer heb. Ze blijft wel vriendelijk, spreekt zelfs een beetje Duits, maar tot drie keer toe krijg ik haar, een ander nummer dan op mijn briefje staat, een ander nummer dan ik draai met de kiesschijf. Er is iets goed mis met de telefoonverbindingen in Istanbul, en ik geef het op. Dan maar geen rondleiding.
     Niet ver van ons hotel Çamli Palas vinden we op de tweede dag een leuk café. Niet dat we daar naar op zoek zijn. We willen gewoon stoelen en een tafel om onze stapel ansichtkaarten te schrijven. We hebben er veel, vooral veel aan mensen in Roemenië en Bulgarije. Die kaart uit Timişoara verstuur ik nu ook maar. De postzegels houd ik. Het schrijven van de kaarten duurt zó lang dat we ook maar wat eten, nu we er toch zitten. We werken vele halve liters naar binnen, en eten er heel lekker. Bovendien is de bediening erg goed. De eigenaar is een klein, druk baasje. Het meest opvallend is wel de lekkere raki hier, de nationale Turkse drank. Yeni raki. Ik geloof niet dat ik het blind zou kunnen onderscheiden van ouzo. De lege flessen Yeni liggen in grote stapels langs de muur op het terras, een goed teken. We maken er ons stamcafé van. De kroegbaas herkent ons de tweede keer direct.


stamcafé in Istanbul

De flessen raki van ons stamcafé in Istanbul (erachter is het terras).


Blij steek ik de straat over naar het benzinepompstation. Ik loop nou al wel een week rond met die lege Zippo, op zoek naar brandstof. Ik durfde het ding in Roemenië al helemaal niet te tonen. Ik wacht netjes achter de auto in de rij, laat mijn Zippo zien, en zeg: "Fill 'er up, Tom!" Hij lacht, en doet zijn best om met een paar druppeltjes het ding tot de rand te vullen. Ik betaal hem goed, sluit mijn aansteker en wil 'm bijna ter plekke proberen. Oeps. Okee dan. Ik loop terug naar Gunnar en Dag. Ze reageren verbaasd, ik ben verguld.
     Op de laatste avond in Istanbul blijft Dag liever in het hotel. Hij heeft nogal last van muggebulten. Ik geloof dat het er zo'n vijftig waren, sommige wel tien centimeter in doorsnee. Maar Gunnar en ik gaan nog even naar buiten, naar het stadsdeel ten noorden van ons hotel. We komen langs een prachtige tempel annex begraafplaats (daar zijn er in Istanbul veel van; in november las ik in de krant dat de Turkse regering heeft besloten tot grootscheepse restauratie van de monumenten). En op de weg terug lopen we zowaar langs een café waar ze waterpijpen hebben. Een vreemde gelegenheid, groot en heel erg licht. TL-buizen aan het plafond, en ongemakkelijke banken binnen. Maar de waterpijpen achter de bar zijn er niet minder indrukwekkend om, en we gaan naar binnen.
     We worden raar aangekeken, maar worden geholpen door de eigenaar van de zaak, die er een genoegen in schept ons alles over waterpijpen te vertellen. De onderdelen worden voor onze neus in elkaar gezet, en er komt een forse klont tabaksbladeren bovenop. Het smaakt heerlijk. We zitten een hele tijd aan het ding te lurken en televisie te kijken. Het zijn vooral keurig nette mannen die hier zitten. Upper-middle-class, hoe moet je het noemen, maar in elk geval draagt iedereen een stropdas en een colbertje. Het felle licht en de vierkante banken blijven vervelend, maar de muziek op televisie en zo nu en dan het gesprek met de kroegbaas maken veel goed. Nee, op de bazaars moet je je waterpijp niet kopen. Dat is van zeer slechte kwaliteit. Neem mijn waterpijpen nou. De fles komt uit Erzurum, het mondstuk uit Damascus, het koper uit Alexandrië... Hij schat de totale prijs van de waterpijp die wij roken op honderd dollar. Het is dan ook een prachtig ding, in vele kleuren, met een heel grote (niet gekleurde) fles eronder, en zeker een meter hoog. Uiteindelijk is de waterpijp voor meer dan de helft op. We nemen afscheid (het was belachelijk goedkoop, herinner ik me), en zeggen dat we misschien over een paar dagen nog terugkomen met z'n drieën.
     Het plan is ondertussen duidelijk. In Istanbul zullen we waarschijnlijk nooit uitgekeken raken, en Gunnar en ik willen Azië zien (om precies te zijn: Gunnar wil meer van Turkije zien en ik wil naar Azië, maar dat komt gelukkig op hetzelfde neer). Gewoon een willekeurig klein dorp op de kaart prikken. We hebben besloten na Azië terug te gaan via Istanbul (dat kan ook haast niet anders) om nog inkopen te kunnen doen op de bazaars. Eerder al hebben we van elkaar nagegaan of we elkaars gezelschap nog wel op prijs stellen. Voorlopig nog wel ja.
     Maar nu willen we eerst slapen, en we gaan. Hoewel, slapen... Nee, als we langs ons stamcafé komen, en blijkt dat ie nog open is, kunnen we toch de verleiding niet weerstaan. We lopen het trapje naar het terras op. De kroegbaas herkent ons wel, maar hij waggelt wat en maakt vreemde gebaren. Ja, we weten het; het is laat. Hij blijft gebaren, we gaan maar zitten en bestellen raki. Wat wil ie nou? Nee, onze vriend is ziek, die ligt op bed. De kroegbaas waggelt weg. Hij is zo zat als een toeter. Gunnar concludeert dat hij eigenlijk wil afsluiten. Misschien mag hij om deze tijd niet eens open zijn, of alcohol verkopen of zo. As we hem duidelijk maken dat we alleen deze ene raki hoeven, is hij merkbaar opgelucht. Maar nog wel zat, en we blijven een hele tijd hangen bij de laatste Yeni raki.
     Op de zuidelijke helft van Istanbul is nauwelijks meer een haven, maar langs de kust van de noordelijke helft van Istanbul liggen enorme schepen afgemeerd. Langs de kade stikt het van de terrasjes, overal wordt vis verkocht, het is er een drukte van belang, en er lopen veel matrozen rond. We zijn hier vaak, omringd door geuren van vis, zweet, zeewater en bloed. Ik vind een haven altijd al een bijzondere sfeer hebben, met al die schepen en matrozen uit zovele verschillende landen. In de haven van Istanbul (ook langs de zuidelijke helft) vallen me al snel al die Russische matrozen op. Zodra er een schip uit de voormalige Sovjet-Unie is aangemeerd, komen de matrozen aan wal en spreiden hun spulletjes uit. De meest bizarre rariteiten liggen er tussen. Gekke klokken, grote polshorloges, vreemde schilderijen, wodka, ouderwetse fotocamera's, en Mirten (zie verderop) vertelde mij later dat hij er zelfs een harpoen tussen had zien liggen. Gunnar probeert nog om van een Rus een fotocamera te kopen, maar de man wil er maar liefst tien dollar voor hebben. Als Gunnar zegt dat hij er dan een fles champagne bij wil hebben, gaat de koop helaas niet door.
     Verderop kopen we vis. Ik weet al niet meer wat voor vis het was, het was wel lekker. Maar dan ontdekt Gunnar op de dozen naast het stentje dat de vis gewoon uit Noorwegen komt. Gunnar weet dat in Noorwegen zelf deze vis nauwelijks verkocht wordt. Alle vangst is voor de export. Bizar. Sta je naast de haven vis te eten, die tweeëneenhalf duizend kilometer verderop gevangen is. Net Asterix. "Wat denkt u wel, ik haal mijn vis uit Lutetia, m'neer!"
     Het regent pijpestelen op de ochtend dat we naar de oostelijke helft van Turkije willen. Dapper stappen we met de rugzakken om door de stad, eerst op weg naar het postkantoor. Kaarten posten, cheques uitschrijven. Het duurt allemaal vreselijk lang, maar gelukkig betekent dat ook dat het droog is als we weer naar buiten stappen. Op naar de haven! Het wordt weer lekker weer, de tickets zijn goedkoop, we krijgen er al weer zin in. De boten naar de overkant hebben we al vaak zien vertrekken. Ze zijn niet zo groot, een meter of dertig. De brug zit ver naar voren, en achterop is een open dek met bankjes, overdekt door zeildoek. Prachtige scheepjes.
     En dan die stap. Mijn nieuwe schoen, een beetje rechts langs de loopplank, met mijn rugzak om, op het vasteland van een nieuw werelddeel. De poort van Azië in één voetstap.

Naar Azië

Het haventje van onze veerboot ligt naast het station, en we lopen erheen. Het is een houten gebouwtje met een marmeren vloer, en Atatürk grijnst ons al tegemoet. We willen naar Eskişehir, met 700.000 inwoners een van de grotere steden in Turkije, en van daaruit naar een klein dorp. Saricakaya, of nog wat meer naar het zuiden. Vanmiddag vertrekt de trein naar de (toeristische) zuidkust van het land, de Antalya-Express (of zoiets).
     We gooien onze rugzakken bij de bewaking (natuurlijk weer vergeten om het wc-papier eruit te halen...), en lopen over een brede snelweg de stad in. Üsküdar is op het eerste gezicht beduidend minder rijk dan de Europese helft van Istanbul. Het is er grauwer, smoezeliger, en kent veel minder oude gebouwen. Langs de weg zie ik een grote advertentie waar een bijna naakte mevrouw limonade aanprijst. Paradox? Ik geloof dat ik me dergelijke openheden ook uit Egypte nog herinner.
     Eerst maar eten, en langs de haven lopen we op zoek naar een restaurant. Er zijn er meerdere open. Ze lijken sterk op de restaurantjes aan de andere kant van de Bosporus. Een klein keukentje aan het open raam, de walmen komen naar buiten, de kok is druk bezig, en ondertussen word je door de grijnzende ober naar binnen geleid. We kiezen ons eten in de keuken uit, en gaan zitten. We drinken mineraalwater, en eten zoals vrijwel altijd in Turkije vlees. We hebben nog uren over, willen Üsküdar nog zien, en hebben weinig zin om lang op het station te hangen. En nog proviand inkopen voor de trein.
     We lopen omhoog, de stad in, naar waar we denken dat de markt zal zijn. Maar we vinden de markt niet. Er zijn verbazingwekkend weinig mensen op straat, we vermoeden zelfs dat de mensen binnen zitten, in hun huizen. Misschien zijn ze naar de moskee? Op dinsdagochtend vroeg? Misschien heeft dit stadsdeel een heel druk centrum? Inkopen doen lukt eindelijk in een van de weinige winkeltjes die open zijn. Opvallend is dat de vloer van de winkel (op de hoek van de straat) een stuk lager ligt dan de stoep. Alleen het pleepapier lukt niet. We vragen ons af waar we dat in godsnaam kopen moeten. Het onze is bijna op.
     We besluiten om maar een cafeetje te zoeken. Ik drink er een goede koffie, terwijl Gunnar in de winkel achter ons pleepapier koopt. Het stond er zelfs in de etalage. Ik ben benieuwd wat ze er voor vragen. Het café is opvallend westers, licht en kleurrijk. En, zoals zo vaak, op het moment dat we binnenkomen draaien ze de Turkse muziek weg, en zetten een of andere Michael Jackson-kloon op. Gunnar heeft niet meer dan vier rollen papier gekocht. Het was veel te duur (ik meen vijf gulden per pak of zo).
     Dan lopen we terug naar het station. We drinken elk een blikje bier terwijl we lopen (tijdens deze vakantie nog niet zo vroeg alcohol gedronken), en Gunnar vertelt dat dat voor hem heel speciaal is. In Noorwegen is het verboden in het openbaar te drinken. Vandaar dus dat we zo vroeg beginnen... Zie wat het anti-alcoholbeleid van de Noorse regering heeft bewerkstelligd!
     Op het station moeten we ook nog een paar uur wachten, en we halen onze bagage alvast op. Dag gaat lezen, en Gunnar en ik afwisselend ook. Ik loop ook wat rond, en als ik na een tijdje terugkom bij de twee, zijn ze in gesprek met een Turk. Het is een uitermate vriendelijke man, en hij lijkt vrij rijk. Hij draagt een colbertje over zijn schouders, een keurig geknipte snor, en onder zijn arm een aktentas. Hij heeft gevraagd waar we heen gaan, en Gunnar wijst het op de kaart aan. Hij vertelt verhalen over de meeste plaatsen die hij op de kaart ziet, wijst aan waar de toeristen zitten, waar pre-historische bezienswaardigheden zijn, en waar hijzelf geboren is. Wij steken ons standaard verhaal over toerisme af, dat we Turken willen ontmoeten in plaats van Amerikanen, en hij begrijpt het al snel (de eerste in Turkije...). En hij wijst ons dorpjes aan die we wel mooi zullen vinden. Waaronder Saricakaya.
     Het lijkt op het eerste gezicht de meest intellectuele man die we hebben ontmoet, en hij zegt dat hij directeur is, ik dacht van een fabriek van locomotieven. Hij komt ook nog een paar keer terug. Het doet de tijd sneller verlopen. Ik loop nog even langs de winkeltjes in het station, en ga aan de kust van de Bosporus zitten. Enorm, wat een gore troep drijft hier in het water. Niet alleen plastic en andere wegwerpartikelen, maar ook plassen olie en dode vissen.
     Als ik terugloop koop ik wat broodjes, en wissel Gunnar af bij Dag en de bagage. Laat in de middag verschijnt de trein. We hebben geen reservering, maar vinden drie plaatsen in de nog lege trein. Vlak voor vertrek wordt het druk, en we wisselen van stoelen. Erg vind ik het niet. Ik ben moe en het uitzicht is prachtig. Wijdse velden gras en graan, met aan de horizon hoge bergen, en zowaar dreigende donderwolken. De regen uit Istanbul, hoop ik. Ik kom naast een Turkse jongen van een jaar of twintig te zitten. Praten kunnen we nauwelijks met elkaar. Hij is erg trots op drie woordjes Engels, en ik ben moe. We roken onze sigaretten tegelijkertijd op het balkon, en hij biedt me een broodje met heerlijke Bulgaarse yoghurt aan.
     We komen in de loop van de avond op het station van Eskişehir aan. Gunnar heeft iemand ontmoet die ons wel de weg naar het centrum wil wijzen. We roepen een taxi, en na wat problemen hebben we er één die ons alle vier de stad in wil brengen. Het is een vrij lange rit. We betalen goed, en stappen uit. Het is niet het centrum (we zien geen grote gebouwen of een plein), maar een drukke winkelstraat. Omdat we toch eerst een hotel willen zoeken, lijkt het me beter hier uit te stappen. Dan kunnen we het centrum altijd nog zoeken. De stad is immers net zo groot als Amsterdam.
     Het hotel is snel gevonden. Ik meen me te herinneren dat we eerst nog een te duur hotel hebben geprobeerd, maar uiteindelijk komen we in een prachtig gebouwtje binnen, en een erg vriendelijk lachende man laat ons de kamers zien. Des te vervelender is het dat gordijn en rails beide op het bed donderen als hij ze ons wil demonstreren. Hij loopt rood aan, en is heel blij als we de kamer toch willen nemen. Ach gom. Het is een tweepersoons kamer, en ik krijg mijn eigen éénpersoons. Er zit wel een raam, maar direct daarachter is een muurtje gemetseld. Heb ik ooit eerder in een kamer zonder raam geslapen? Gunnar zegt dat het vreselijk is. Ik ben benieuwd.
     Eerst de stad maar eens in. In de taxi hadden we al wel een druk gedeelte gezien, en we besluiten het op te zoeken. Het lijkt rijk en toeristisch, maar zeker niet westers. Ook te oordelen aan de mensen op straat, is Eskişehir een toeristenplaats voor Turken. Het is een mooie stad, niet grauw, grijs en dood, zoals we het ons aanvankelijk voorstelden. Er loopt een gracht door het centrum, met een mooie fontein op het plein.
     Langs de drukste straat denken we een soort nachtclub te hebben gevonden, en na enig zoeken vinden we, in een steegje achter alle huizen, de ingang. Een gang door, een trapje af, een deur door, een portier langs. Vreemd café. We worden naar een tafeltje in het midden gebracht, maar de muziek staat te hard om elkaar te verstaan. Het is donker, en er wordt lelijke Turkse disco gedraaid. Er is wel een disc-jockey, maar nauwelijks een dansvloer. We bestellen bier, geloof ik. De gasten zijn niet jonger dan twintig, en niet ouder dan vijfendertig. Er zijn iets meer jongens dan meisjes. Iedereen zit aan tafeltjes. Weinigen praten. De muziek staat hard, en de mensen drinken of dansen. Maar niemand verlaat zijn tafel. Als er gedanst wordt, of meegezongen, blijven de mensen allemaal rond de tafel staan.
     Iedereen is in een groep gekomen van tenminste vier mensen, en zit aan een ronde tafel. Er wordt veel gekeken (iedereen heeft feest- of glitterkleding aan, en één meisje zelfs een bruidsjurkachtig ding), maar niemand praat met mensen van een ander groepje. Niet veel later zoeken we een rustigere plek op, zien een optreden van een vreselijk slechte toetsenist-zanger (die gelukkig snel aftaait), eten pistachenoten, en discussiëren over de verschillen tussen vrouw en man. Ik denk dat die verschillen in onze wereld overdreven worden, maar ze zijn het niet met me eens, en pleiten voor een scherpe lijn tussen vrouw en man, zelfs als dat betekent als ze daarmee de ongelijke verhoudingen in stand houden. Het wordt laat, natuurlijk. We blijven tot sluitingstijd.
     De gebeurtenissen van de volgende ochtend staan me niet meer zo goed bij. We checken uit en gaan naar het busstation. Maar hoe we dat vinden? En hoe we zo goed weten welke bus we moeten hebben? Pff... Gunnar regelt alles denk ik. Ik weet het niet meer, maar in de vroege middag rijden we uit Eskişehir weg, op zoek naar Saricakaya. De bus zit vol, en het is een prachtige route. Door steeds droger en meer dor wordend land kruipt de bus tegen de hoge bergen op. Een volkomen verlaten land, waar nauwelijks iets groeit, nauwelijks iemand woont. Het meest opvallend, herinner ik me, zijn de felle kleuren van het gesteente. Dieprood, paars, groen of felblauw zijn de stenen, en de bergtoppen zijn zo rond en glad, dat we vermoeden dat dit een heel oud gebergte is.
     Als het de bus dan eindelijk, niet zonder moeite, gelukt is om de hoogste pas te bereiken, stoppen we. Iedereen stapt uit, en er wordt ons verteld dat er een theepauze wordt ingelast. Mooi zo. Een sjekkie. We lopen een houten cafeetje binnen, en met een paar Turken die wat Engels spreken gaan we achter het café op het terras zitten. Op een klein houten vlondertje zitten we, zeker veertig meter boven de grond, met een wel heel fraai vergezicht. Tussen het hout door zie ik de bodem, en de mensen waarschuwen me niet met mijn stoelpoten door het terras te zakken. Ik voel me thuis, en drink in alle rust mijn chai. Heerlijk. Ik laat het lullen weer aan Gunnar over. De mensen zijn zeer geïnteresseerd. We mogen de thee dan ook absoluut niet betalen, en worden met zachte dwang weer de bus in geleid.
     We rijden over onverharde wegen de berg weer af, komen aan verschillende boertjes op ezels voorbij, en hebben veel moeite op het smalle bergweggetje te ontwijken voor een grote vrachtwagen, die ons tegemoet komt. We rijden door verschillende kleine dorpjes, met mensen die misschien hier hun hele leven wonen. Dorpjes met één winkel, zes huizen, en één moskee. En twintig ezeltjes. Op het eindpunt van de lijn is de bus bijna leeg. Saricakaya. Allemaal uitstappen! Het dorp loopt uit om de buschauffeur te begroeten. Wat een dorpje...

In Saricakaya

Ik voel me niet lekker (misschien van de pistachenoten in de nachtclub in Eskişehir?) als we door een van de bewoners naar een hotelletje gebracht worden. Nog vóór we de kamers hebben gezien, willen Gunnar en Dag eten. Goed dan. Ik werk een paar happen weg, en ren dan in volle vaart naar de wc. Goddank, er hangt papier. Na het eten krijgen we een kamer. Het is met ik geloof vijf gulden per nacht voor een driepersoonskamer het goedkoopste hotel dat ik ooit heb gehad. We gaan meteen het dorp in, en ontdekken dat het een van de mooiste plekken is van de hele vakantie.
     Mijn misselijkheid gaat al in de loop van de middag over, aan de rivier die de Sakarya heet. We zijn er met een jonge jongen heengegaan, die slecht Engels spreekt. We hadden hier niet anders verwacht. Ook hij blijkt uit het niets thee met koekjes te kunnen halen. Met behulp van het in Istanbul gekochte boekje Engels-Turks zegt Gunnar dat hij een "true magician" is, maar de jongen weet niet waar Gunnar het over heeft. Da's toch heel gewoon, een lading thee uit het niets te voorschijn toveren?
     We zwemmen wat in de rivier, met uitzicht op een berg met twee absurd vormgegeven toppen, of eigenlijk: we baden er wat pootje. De rivier is niet dieper dan een halve meter en het water is zeer schoon. Ten oosten schijnt in de richting van Ankara een stuwdam te liggen. De bodem ligt bezaaid met de mooiste stenen die ik ooit zag, van allerlei vormen en vooral allerlei kleuren. Er staat een sterke stroming, en het is moeilijk om in deze harde stroming staand te blijven op de stenen bodem. Toch lukt het elk van ons om naar de overkant te lopen. We wassen ons schoon in de rivier. Het is heerlijk om mijn haren weer eens goed te kunnen wassen.


de berg bij Saricakaya

De berg bij Saricakaya.


de rivier Sakarya

De rivier Sakarya.


Het pad tussen de rivier en het dorpje is duidelijk een pad van en voor ezels. Erlangs staan vele verschillende bloemen, struiken en bomen, en verderop liggen kleine veldjes met vooral maïs. Terug in het dorpje gaan Gunnar en Dag zich eerst omkleden, en ik kuier wat rond.
     Door drie meisjes in een idyllisch tuinhuisje word ik geroepen, en ik loop op ze af. In een grote moestuin staat een mooi beschilderd houten prieel met banken in het rond en een puntdak erop. Ze leren er hun lessen Engels. Hoe toevallig. Ver zijn ze nog niet; het lukt ze niet om mij in het Engels de peer aan te bieden. O help, wat zijn ze leuk! Verlos me voor er iets mis gaat. Het duurt niet lang of de moeder komt bij ons zitten, om een oogje in het zeil te houden. Ze spreekt geen Engels, maar haar lukt het wèl om me voldoende duidelijk te maken dat ik de peer mag opeten. Er wordt meer gegiecheld dan gesproken. Ik vraag me af of Gunnar en Dag me zullen weten te vinden. Ik hoop eigenlijk van niet.
     Als ze komen, worden we gedrieën door een man in legeruniform uitgenodigd bij hem binnen te komen. Hij heeft een echte computer en die moeten we zien, vindt hij. We verlaten de pergola. Hij spreekt redelijk Engels (de eerste hier), en we krijgen een overdosis aan thee en sigaretten. De computer is wel leuk. Het is de eerste keer dat ik een Turks toetsenbord zie (met onder andere een eigen toets voor de g met een omgekeerd dakje erop), maar dat heb ik snel gezien, en ook de overdosis geweren en militair machtsvertoon bevalt me niet zo. Ik ben hier gekomen om het dorpje en de omliggende landerijen te zien.
     Het is moeilijk een goed moment te vinden om er tussenuit te knijpen, maar ik doe het toch maar gewoon. In het dorp word ik door iedereen nagekeken. Niet alleen voel ik vele ogen in mijn rug, en vermoed ik gluurders achter het raam, maar de mensen staan me ook gewoon met de armen over elkaar aan te gapen. In het hotel is ons al verteld dat de laatste keer dat er in Saricakaya toeristen waren een jaar geleden is. Toen waren er twaalf Belgen tijdens de zomervakantie. Door het dorpje lopend spijt het me nu al dat we hier niet langer dan twee dagen zullen blijven.
     Het dorp bestaat uit één verharde weg naar het 'kruispunt' toe, en vervolgt daar zijn weg onverhard, omhoog, naar de armere huisjes. Vanaf het kruispunt gaat de weg verhard verder naar het zuiden, naar beneden. Ik loop beide wegen af. Het onverharde deel loopt dood, maar er staan prachtige oude huisjes, en erachter kijk ik op de bergen. Ik keer terug, en loop de 'grote weg' af. Ik zie in een schuur een ezel staan, en loop erop af. Maar de eigenaar draait me zijn rug toe, en ik loop maar weer weg. De vlakte buiten het dorp is werkelijk prachtig. Als ik weer terug kom, staat er een ontvangstcomité op het kruispunt. Ze willen ze weten wat ik hier zoek, en de groep wordt groter en groter.
     Eindelijk is er iemand die me kan verstaan. Een jong meisje blijkt in Duitsland te zijn geboren, en er wordt om uitleg gevraagd. Ik hang een verhaal op over interesse in Turkije in het algemeen, en in ezels in het bijzonder, en het stelt ze gerust. Er beginnen al wat gezichten te lachen, en het meisje vraagt of ik eens op een ezel zou willen rijden. Tja, eigenlijk heel graag. Nog meer gezichten gaan lachen, en ik maak een afspraak voor morgenmiddag. Er zijn nu even geen ezels vrij.
     Een aantal van de mannen slaat een arm om me heen, en leidt me naar het café. Het valt erg op dat juist het goed Duits sprekende meisje niet naar het café mee mag. Het gesprek gaat er niet bepaald makkelijker door. Het is wel een mooi terras. Als ik de trap op kom, gaan in de fontein mooie gekleurde lampjes aan. En ze gaan ook weer uit als ik wegga. Net de vis in Mon Oncle. Eén kopje thee is genoeg. Het gesprek loopt moeizaam, en misschien moet ik Gunnar en Dag maar weer 'ns opzoeken.
     Ik neem dus maar weer afscheid, en loop terug. Ik zeg dat ik haast heb als er weer iemand me staande houdt, en chai aanbiedt. Eenmaal terug blijken Gunnar en Dag nog steeds bij die militair te zitten, misschien alleen iets verder onderuit gezakt. Zij hebben ondertussen ook wel trek. Het enige probleem is nu om hem duidelijk te maken dat we liever niet bij hem blijven eten. Hij zal het ons beslist aanbieden. Gunnar maakt duidelijk dat ze aan de hand van de kaart van Turkije een ware geschiedenisles hebben gekregen.
     Het lukt ons toch om netjes weg te komen, en we eten weer in ons hotel. Deze keer ben ik degene die de porties van de anderen wegeet. Gunnar en Dag gaan het dorp nog even in, maar ik besluit om maar vast te gaan slapen. Ik heb veel in te halen. Ze maken het laat, maar ik slaap overal doorheen. Ze vertellen me dat ze met de meest dronken Turk nog ons hotel binnen zijn geweest, om hem onder de koude douche te zetten (iets wat wel lukte, maar niet bleek te ontnuchteren).
     Ik ben goed uitgeslapen, en heb veel zin in het ritje op de ezel. Het is een mooie ochtend, met een heldere hemel, weinig wind en veel vogels, en een opkomende, al warme zon. Het wordt almaar leuker. Het opstaan vergt Gunnar en Dag meer tijd, en zonder ontbijt gaan we naar de afspraak. We weten niet precies hoe belangrijk stiptheid is, en dus houden we ons er maar netjes aan. De ezel komt ietsje later. Een prachtig dier. Hij kijkt sullig als ezels behoren te doen, getergd als Ieoor en lief als een teddybeer. Er ligt een stevig zadel op zijn rug, en ik moet op een hoog stoepje gaan staan om erop te klimmen.
     De ezel loopt direct weg. Hij lijkt al precies te weten waar hij heen wil. Ik praat wat tegen hem, en aai over zijn hals, maar heb niet het flauwste idee waar we heen gaan, of hoe ik zou kunnen sturen. Hij gaat trouwens ook wel hard, en ik moet me stevig vasthouden. Ik hoop dat de ezel zelf weet aan welke kant hij langs die autobus moet! Het gaat naar beneden hier, het dorp uit, en ik denk dat ik maar eens om moet keren als ze in Saricakaya hun ezel ooit weer willen zien.
     "Ho! Ho! Stop nou... eeuh... lieve ezel..." Ik weet niet meer hoe ik hem uiteindelijk staande heb gekregen, maar om hem om te keren besluit ik af te stappen en zijn kont in de andere richting te duwen. Met z'n ogen dicht staat hij onmiddellijk stil. Zo gezegd, zo gedaan. Als ik er weer op probeer te klimmen, hoor ik het geplop van een hele oude motor, en daar komen twee jongens om de hoek gescheurd. Ik stuur de ezel op ze af. Nu heb ik het door! Dat touwtje aan zijn neus natuurlijk... Het is een prachtige ervaring, en als ik terugkom in het dorpje maakt Gunnar de foto.


op een ezel in Saricakaya

Op een ezel in Saricakaya.


Als Dag zijn rondje rijdt (Gunnar hoeft niet), worden Gunnar en ik naar hetzelfde terrasje van gisteren geleid. Weer het ritueel met de lampjes, maar deze keer gaat de conversatie beter. Er is een NAVO-vliegenier die Duits spreekt (vooral over de oorlog met de Koerden, en een dreigende oorlog met Syrië om het water), en zelfs een woordenboek. Bovendien spreekt Gunnar een paar woordjes Turks. Na vele glaasjes chai verlaten we ze weer. We willen nog even in de rivier zwemmen, voordat we vanmiddag weer naar Eskişehir vertrekken.
     We kleden ons om, en met dezelfde 'true magician' lopen we weer naar de rivier. Naar een andere plaats deze keer. Het is er dieper, en de kant is modderiger, maar je kunt van de kant prachtig in het water duiken. Hoewel een paar kleine jongetjes het voordoen, durven we toch niet zo goed, en we klauteren langs de steile wand, gadegeslagen door alle jochies, het water in. Het is hier, nauwelijks tweehonderd meter verder dan het ondiepe gedeelte, zeker drie meter diep, en we zwemmen een stuk. Ik ga er als eerste uit, en de jochies beginnen een vuurtje. Ik gooi mijn shampoo naar de jongens, en warm me aan het piramidale vuur. Knap werk, zo'n groot vuur in zo korte tijd. Maar nu moeten we echt gaan inpakken. Op de terugweg komen we langs een zonnebloem, een flinke bol van zeker tien bloemen opeen gepakt, op een grote stengel.
     Bij het inkopen doen ontmoet ik de winkeleigenaar weer. Hij is lang gastarbeider geweest in Zwitserland, en spreekt goed en graag Duits. We kopen meer dan we nodig hebben, en nemen hartelijk afscheid van alle mensen die zich rond de bus verzameld hebben. We nemen dezelfde weg terug.

Afscheid in Eskişehir

Na Saricakaya achter ons gelaten te hebben, staan we weer gedrieën in Eskişehir. Het is donderdag 30 juli. De bedoeling is om direct naar Istanbul door te reizen. Er gaat vanavond vast nog wel een trein. We staan dichtbij het busstation, met onze rugzakken nog om. Twee betonnen hoofdwegen met veel gaten kruisen de spoorlijn. Oude boeren op nòg oudere karren met ezels of paarden ervoor rijden groente en fruit naar een markt, en taxi's, bussen en vrachtwagens scheuren af en aan. Dicht bij de spoorwegovergang is een taxistandplaats.
     Naast een kraampje staan we wat te praten met een jongen die sigaretten en blaadjes verkoopt. "Where you from? Yes, of course, train leaves tonight, sir! You like Turkey? Buy cigarettes, sir?" Nou, vooruit dan maar. Het is een vriendelijke jongen. We besluiten om een lading sigaretten (Camel) en snoep (chocolade) in te kopen, om de nachttrein te kunnen overleven. Nog vier uur? Oh, maar dan hebben we nog wel even tijd.
     Ik roep een jochie met een dienblad. Overal zie je ze in Turkije: hele jonge jochies die een dienblad dragen met thee er op. Waar ze die thee vandaan halen is onduidelijk, maar het lukt ze elke keer. Ik bestel drie thee bij hem, en hij rent weg. Een paar seconden later staat hij trots weer voor ons, met op zijn zilveren dienblad drie tulpglaasjes chai op schoteltjes. Hij wacht tot we de chai op hebben, om de glaasjes weer terug te krijgen. Het is 500 Tlira (Turkish lira) per glas (delen door 4000 om guldens te krijgen, twaalf cent in dit geval dus), en we bestellen nog maar een glaasje.
     En weg rent hij weer en terug is hij weer, met drie verse thee. Het smaakt heerlijk. "Laten we hem eens een enorme fooi geven," stel ik voor, en als hij zijn thee op heeft trekt Gunnar een briefje van 10.000 Tlira voor drie thee. Het jochie weert aanvankelijk af. Hij kan zoiets onmogelijk wisselen. Maar omdat wij weigeren het briefje terug te nemen, moet hij wel, en rent bezorgd weg. Even later staat hij voor ons met een handvol wisselgeld. We slaan he taf, en direct loopt hij het kraampje binnen om sigaretten te kopen. Patserige westerlingen met hun platte lol. Maar nu moeten we toch echt gaan, als we die trein naar Istanbul nog willen halen. We nemen afscheid, hijsen onze rugzakken om, en lopen naar de taxi's toe.
     We vinden een vriendelijke chauffeur die alleen Turks spreekt, en hij rijdt ons naar een treinstation. Nooit eerder gezien. Bovendien vertrekt volgens de borden van dit station geen trein naar Istanbul. Het lijkt een station voor goederentreinen, met alleen een betonnen perron en twee spoorlijnen erlangs. We zijn denkelijk op een ander station aangekomen vanuit Istanbul, maar het kost vrij veel moeite hem duidelijk te maken dat we liever een ander treinstation hebben. Maar dan stappen we weer in, en vervolgen onze tocht door de stad naar het andere station. De chauffeur gebruikt zijn claxon even veel als zijn gaspedaal. Bij iedereen die hij inhaalt, drukt hij op beide en laat iedereen er onnoemelijk mee schrikken. Zeker ooit in Caïro geweest.
     Het andere station is beter, we herkennen het, maar de trein naar Istanbul vertrekt pas laat 's avonds. Nog enkele uren te gaan. En dus vragen we de taxichauffeur, die blijer en blijer wordt, om ons maar weer naar het centrum terug te brengen. De rondrit langs de stations heeft hem veel geld opgeleverd, en uiteindelijk zijn we weer terug in de stad.
     We kennen Eskişehir nog een beetje van de vorige keer dat we hier waren, toen we naar Saricakaya gingen. We lopen nu weer langs de gracht, met onze rugzakken, op zoek naar een restaurantje. Dat is niet moeilijk. Het stikt hier van de café's en restaurants, en langs het water zijn over de gehele lengte terrasjes, maar er zijn verbazingwekkend weinig buitenlandse toeristen. Toch staat overal wel een toeristenmenu aangekondigd buiten, en er is zelfs een kleine kermis. We kiezen nietsvermoedend een restaurant uit. We letten alleen op de prijs van de halve liters bier.
     Het bier is wel goed, of in elk geval te drinken, maar de kebab is gruwelijk. Geen van ons drieën krijgt de kebab die hij besteld heeft, en Gunnar is minutenlang bezig om het vlees te zoeken. Op zijn bord vindt hij het niet, en hij wordt boos. De ober die langswandelt en vraagt of het ons smaakt, krijgt dan ook een eenduidig "nee" om zijn oren. Natuurlijk niet. Zo goor hebben we in Turkije nog nooit gegeten. Terwijl wij foeterend onze kebabs eten, komt een dikke Turk op ons af. Hij heeft een gouden bril op, is keurig in het pak gestoken, heeft een zeer nette snor, en draagt allerlei gouden armbanden en ringen.
     "Maar allee, komt ge uit Holland?" begint hij tegen Gunnar. Niet te geloven! Een Vlaming in Eskişehir. Fantastisch! Hij is op vakantie in Turkije, hier ook geboren meen ik, en doet uitermate vriendelijk.
     "Tegen Belgen niet hoor," zegt hij, "maar voor Hollanders doe ik alles." Zijn Vlaams accent is overduidelijk. Het is beslist niet de meest sympathieke persoon die ik op mijn vakantie ontmoet. Hij doet heel joviaal. Hij zegt dat hij nu naar de hoeren gaat, maar als we hem nodig hebben, kunnen we hem altijd roepen, en we nemen hartelijk afscheid.
     "En, en?" beginnen Dag en Gunnar meteen, "kan hij ons aan stuff helpen?" Daar had ik nog niet eens aan gedacht toen hij zei dat hij alles voor ons kon regelen. Sorry, jongens, vergeten naar te vragen.
     En dus besluiten we op zoek te gaan naar de hoerenbuurt, in de hoop de Vlaming weer tegen het lijf te lopen. Het is sowieso knap van hem dat hij een hoerenbuurt weet te vinden hier. Ze zijn hier preutser dan de paus, en we verdenken elk gebouw. Best bijzonder, een hoerenbuurt te zoeken in een islamitische stad! In de buurt van het treinstation of de haven, opper ik. Gunnar vermoedt in een buitenwijk langs een knooppunt van snelwegen.
     We lopen nog even over de kermis. Een draaimolen, een schiettent, en nog zoiets. Dat is alles. Maar natuurlijk loopt er wel weer een Vlaming op de kermis, die blijkbaar aan mijn Engels kan horen dat ik uit Holland kom. Onvoorstelbaar! Dan loop je op de kermis in een stad in Azië, en wie kom je tegen? Het is een jochie van een jaar of tien, en hij spreekt me aan in vloeiend Vlaams. Later leer ik dat veel naar België geëmigreerde Turken oorspronkelijk afkomstig zijn uit deze streek.
     Het kan ook zijn doordat zijn rugzak Gunnar te zwaar is geworden, maar we besluiten om maar te gaan zitten. Rondlopen is misschien toch niet zo'n goed idee. Op een bankje aan de andere oever van het water gaan we zitten. Boven ons hoofd hangen druiventrossen, en tegenover ons zit een man van middelbare leeftijd. Gunnar raakt met de man aan de praat. Hij heeft steeds weer erg weinig moeite om met de mensen in gesprek te raken. Ondertussen zijn Dag en ik geboeid door het gebouw aan de andere kant van de straat. Veel lichtjes, veel jongeren, veel reclame... Zou onze Vlaming hier zijn?
     Dag loopt er naar binnen, en ondertussen ontdek ik weer iets nieuws. Er staat rechts van het gebouw een flat, waarvan de ramen van alle vier de verdiepingen gesloten zijn. En bovendien staat beneden een klerenkast op wacht. Het lijkt me alles weg te hebben van een islamitisch bordeel, maar hoe zoek je dat uit? Dag is erachter gekomen dat het gebouw met de lichtjes niks anders is dan een gokhal. Dat dacht die vent waar Gunnar mee praat ook al. Zo komen we niks verder. Dan maar zuipen.
     We doen er lang over om een terrasje te vinden waar daadwerkelijk bier wordt verkocht, en we vinden het niet. Wel zien we uithangborden waar steeds weer het woord "meerschaum" op staat. In Istanbul hadden Gunnar en Dag veel tijd besteed aan het zoeken naar meerschuimpijpen, en ze hadden ze niet kunnen vinden tegen de prijs die zij wilden betalen. Meerschuim is vreselijk duur, maar in Turkije zit het centrum van de meerschuim, leggen ze me uit. Gunnar wil een stuk of veertig pijpen kopen om in Noorwegen door te kunnen verkopen. Ik zie de dollartekentjes in zijn ogen staan. Nu pas realiseert hij zich dat het centrum van de meerschaumpijpenindustrie wellicht in Eskişehir zit, en niet in Istanbul. Dat zou mooi uitkomen!
     Het is al donker als we uiteindelijk maar ergens binnen gaan zitten. Op de bovenste verdieping van een soort café-restaurant. Het ziet er netjes en erg toeristisch uit, maar toch zitten er vooral Turken. We bestellen elk een halve liter. Dag en ik hebben wat last van een dikke vent die naast ons aan een tafeltje zit, Gunnar kijkt steeds op straat om de Vlaming niet mis te lopen. Na een tijdje geven we het toch maar op. We krijgen van een eng ventje tegenover ons drie nieuwe pullen bier aangeboden, maar we besluiten om hem niet aan onze tafel te nodigen. Wie weet wat hij van ons wil. De dikke man naast ons wil in elk geval dat we allerlei dingen van hem kopen. We moeten met hem mee, en dan kan hij ons wat laten zien. Als Gunnar informeert naar meerschaum, vertaalt de ober zijn antwoord. Nee, dat is nou toevallig het enige dat hij niet heeft.
     Gunnar informeert bij de ober naar die meerschaum, en het blijkt dat inderdaad Eskişehir hèt meerschaumcentrum in Turkije is. Tja, als het zo ligt... Gunnar en Dag overleggen, en als ik van de wc terugkom vertellen ze me dat ze liever nog een paar dagen in Eskişehir blijven, om de pijpen te kunnen kopen. Hier zijn ze vast goedkoper dan in Istanbul. Ik heb daar minder zin in, en ik heb gezien mijn afspraak in Verviers ook niet zoveel tijd meer (ik heb met Aline in Verviers afgesproken op zaterdag 8 augustus). Misschien is de tijd ook wel weer gekomen om afscheid te nemen. Het was heel leuk, maar ik wil ook wel weer op eigen benen staan. Ze begrijpen het, ik begrijp het, en de afspraak wordt gemaakt. Vanavond nemen we afscheid. Ik ga alleen met de nachttrein naar Istanbul. Op dat moment krijgen we weer pils van dat ventje, en we vinden dat we hem nu toch even uit moeten nodigen.
     Het blijkt een heel vriendelijke man, in tegenstelling tot zijn uiterlijk. Mijn Frans is zelfs beter dan dat van Gunnar of Dag, en we spreken over koetjes en kalfjes, heel gezellig, drinken nog wat, en dan zegt de man dat hij maar weer 'ns moet gaan. Ik heb op mijn vakantie nu al een taal of zes gesproken; Nederlands, Duits, Engels, Frans, Turks, Noors. Zo leer je nog 'ns wat. We nemen afscheid van hem, en als hij mij een hand geeft, fluistert hij me in mijn oor dat ik even met hem mee moet komen.
     Ik verontschuldig me tegenover Gunnar en Dag, en loop nietsvermoedend de man achterna. Is dat wel zo handig, vraag ik me nog af. Wat wil ie van me? Ik vertrouw iedereen zomaar. Buiten het zaaltje, bovenaan de trap, kijkt de man om zich heen. Twee mannen komen de trap oplopen, en hij wacht rustig tot ze uit het zicht zijn verdwenen. Dan graait hij in zijn zak en haalt een papieren zakdoekje te voorschijn. Als hij het openvouwt, zie ik groene blaadjes liggen. De man scheurt een stuk van het papier af en geeft mij meer dan de helft. Hij frommelt het weer in mijn hand, zegt nog: "Fumer avec tabac," en loopt dan de trap af, naar buiten.
     Zo rustig mogelijk loop ik het café weer in. Had ik dat wel moeten doen? Hoe gevaarlijk was dit? Hoe kon ik er zo zeker van zijn dat hij geen politie was? Of dat de troep in mijn broekzak echt wel wiet was? Aan al die dingen denk ik niet.
     "Everything's OK," zeg ik tegen Gunnar en Dag. "Just drink your beers, and we'll be off." Even kijken ze me raar aan. Gunnar is de eerste die het begrijpt, en in één teug werkt hij zijn bier weg. Het hele café moet zo'n beetje door hebben wat er aan de hand is. In minder dan een minuut rekenen we af en staan met onze rugzakken om weer buiten. Daar staat die Franse vent weer, en we bedanken hem hartelijk. Ja, ja, reageert hij, ga nou maar snel het park in of zo. We zeggen hem gedag. Koetjes en kalfjes in het Frans.
     We besluiten om naar hetzelfde hotel te gaan waar we de vorige keer (vóór Saricakaya) overnacht hebben, en lopen de straat uit. Aan het einde van de straat, op de brug, staan soldaten met machinegeweren. Een stuk of zes. Je ziet ze overal in Turkije, het valt me al niet eens meer op. Maar met zo'n lading wiet in mijn broekzak...? Hmm. Wat nu? Ik heb de stuff. Gunnar en Dag gaan vast vrijuit. Ik geloof dat ik liever een toevallige vriend zou verraden dan twintig jaar in een Turkse gevangenis zitten. En we zien er alle drie alternatief uit, anders had die Franse man ons ook niet uitgekozen. In dit land staan hele flinke straffen op bezit en gebruik van drugs, of het nu hard- of soft-drugs zijn. Alleen sigaretten, waterpijp en koffie zijn toegestaan. Koelbloedig lopen we langs de soldaten. Ze kijken ons vreemd aan, maar doen niets.
     In het hotel boeken we een kamer voor twee. De man achter de balie herkent ons nog van de vorige keer (toen hij ons de kamer liet zien en hem en passant voor onze ogen afbrak). Hij lijkt blij dat we desondanks terug zijn gekomen, en is zeer vriendelijk. We leggen hem uit dat we hier vanavond afscheid willen nemen. Op de kamer waar Gunnar en Dag vannacht zullen slapen, begin ik een joint te bouwen. Het is niet eens slechte wiet, veel beter dan die Bulgaarse. We hebben de gordijnen dicht, de ramen wijd open en de deur op slot. Voor geen goud willen we hier ontdekt worden. Hoe ging die film over die Amerikaan met hasj in Turkije ook al weer? En was die niet op waarheid gebaseerd? Toch? De peuk spoelen we door de wasbak, en na de tweede joint (flinker dan de eerste) zetten we de ramen wijd open. De kraan laten we een hele tijd stromen, zodat het filter in elk geval door de zwanehals is.
     We wisselen adressen uit en nemen uitgebreid afscheid van elkaar. Stoned in Azië verlaat ik de beide Noren, toch wel een beetje bedroefd, om te beginnen aan de terugreis. Op naar Istanbul!

Terug naar Istanbul

Het begint goed. Op de eerste straathoek staat al een taxi op me te wachten. De chauffeur spreekt geen woord over de grens, kijkt me aan of ik Swahili spreek, en snapt het zelfs niet als ik een trein nadoe. Toch vertrekt hij, maar zonder de meter aan te zetten. Al snel heb ik door wat hij gaat doen. Op de taxistandplaats zijn nog wel wat collega's die Engels spreken, en die willen het woord "station" wel even voor hem vertalen.
     Toch ben ik blij dat niet iedereen op deze aarde Engels spreekt. Spraakverwarringen zijn over het algemeen heel leuk, en het is erg leerzaam te proberen dingen duidelijk te maken in een universele taal. Zoals mijn pogingen tot een gesprek met de mensen in Saricakaya. Als iedereen elkaar zou begrijpen, zou er een belangrijke reden om te reizen wegvallen. Ik probeer nog wel met de taxichauffeur te praten, maar het lukt absoluut niet. Hij zegt zo nu en dan "yes," zo nu en dan "no," en lacht even naar me als ik een paar woorden Turks spreek, maar ik ben blij als we bij het station aankomen. Enorm zeg! In één keer het goede station!
     Twee Nederlandse meiden vertellen me dat het verplicht is een zitplaats te reserveren. Gratis goddank, maar toch. Okee dan. Het duurt nog even, en ik raak met ze aan de praat. Ze komen net terug van een aantal weken aan de toeristische zuidkust, en ze scheppen er plezier in om zich door een groep Turkse mannen te laten versieren en alle pogingen af te slaan. Wat een aandacht om een glimlachje. Niemand heeft succes. Dan rijdt op het juiste spoor een trein het station binnen. We nemen afscheid van de Turken, en gedrieën stappen we in.
     Op de stoel die ik had gereserveerd ligt een vent te slapen, en ik maak hem wakker. "Sorry, this is my seat." Een beetje boos is hij wel. Het kan dan wel mijn stoel zijn, maar het is toch zeker niet mijn trein! Shit! Zo snel mogelijk maak ik mijn excuses, en spring het perron weer op. Snel begin ik de Nederlandse meiden te zoeken. Die waren er ook al achter, en staan al snel weer naast me op het perron.
     Van de werkelijke reis naar Istanbul kan ik me niet veel meer herinneren. In de ochtend word ik na een zeer goede nachtrust wakker in Üsküdar. Ik slaap nog meer dan half als de Nederlandse meiden afscheid nemen. Ik neem de boot naar Europa. De overtocht is heel mooi. De Bosporus bij ochtendlicht, de vuurtoren Kiz Kulesi in de mist, en een enorme drukte op het water. Ik drink weer eens een kopje chai op het dek, en word langzaam wakker. Rond dit uur zijn er nog meer Turken op de Bosporus dan toeristen. Om me heen zitten mensen die eruit zien of ze naar hun werk gaan. Ik hoor de golven tegen het scheepje klotsen en onderga de deining. Op het dek snellen jochies met dienbladen heen en weer. Op de steven staat een Amerikaans echtpaar over hun vliegreis te praten.


Kiz Kulesi in de Bosporus

De vuurtoren Kiz Kulesi in de Bosporus.


Op het station van Istanbul blijkt geen mogelijkheid om bagage achter slot en grendel te plaatsen. Er zijn simpelweg geen kluisjes, maar er is een gedeelte van het perron waar de rugzakken op elkaar gestapeld worden, beschermd door een handjevol mannen. Op dit vroege uur zijn er nog meer mannen dan rugzakken, maar uiteindelijk besluit ik om ze toch te vertrouwen. De rugzak is wel erg zwaar, en heb ik een keuze?
     Dan ga ik de stad in, naar de bazaars. Ik wil een dunne linnen broek en natuurlijk een waterpijp. Het is nog erg vroeg als ik de bazaars eindelijk terugvind, een uur of acht. Geen tijd voor toeristen, maar het is er al wel een drukte van belang. De verkopers zijn druk bezig de laatste millimeters te verschuiven, het laatste stof weg te boenen, en verschillende soorten glimlachjes uit te proberen. Ik besluit om eerst nog even bij te komen, en eraan te wennen dat ik alleen in deze stad ben. Ik heb nog niet zo'n zin in jacht op koopjes. Op een hoek drink ik een kopje chai bij een winkel die er geloof ik alleen voor de verkopers van de bazaars is. Zag er het meest sympathiek uit. Geen toerist die hier langskomt.
     Gewoonlijk beginnen de verkopers hun handel om zes uur 's ochtends al met de voorbereidingen. Ik kan me herinneren een van de heren naar de datum gevraagd te hebben. Ik had werkelijk geen idee. Vrijdag 31 juli. Over het algemeen is het in Istanbul veel moeilijker met de mensen te praten dan in Saricakaya of Eskişehir, hoewel ze hier wel beter Engels spreken. In de bazaars verwachten ze steeds van je dat je spulletjes koopt. En inderdaad: op jacht!
     Eerst een broek (absoluut geen gezicht met die Meindl bergschoenen er onder, maar wel lekker koel), ringen, eten en drinken, en natuurlijk de waterpijp. Zeker de mooiste die ik op de bazaars gezien heb. Een glazen pot (niet gekleurd), groot, en een mooi gekleurd mondstuk. Okee, hij is wat groter dan de bedoeling was (ik wilde eigenlijk een medium), en ook wat duurder (ik had op zo'n dertig gulden gerekend, hij is veertig DMark), maar ik ben toch erg tevreden. Het apparaat wordt stevig voor me ingepakt, met behulp van de televisiegids van vorige week. Nu maar bidden en hopen dat ie heel blijft op de terugreis. En direct terug naar het station, om 'm in m'n rugzak te stoppen.
     Het is mijn bedoeling naar Athene te reizen, daar een dag op adem te komen van de treinreis (een hotel of zo), dan de boot Patras-Brindisi te nemen (gratis), en dan wellicht met een tweede rustplaats naar mijn afspraak in Verviers. Het trekt me nauwelijks aan om terug door Roemenië te reizen. Terug bij de bagage raak ik, terwijl ik me was en verkleed, in gesprek met de bagagebewakers. Eén van hen is Duits aan het leren, hij heeft een lagere-school-boekje, maar kan er nog niet bijster veel van. Ik help hem een tijdje, maar zijn uitspraak is vreselijk. De andere bagagebewakers spreken alleen Turks. Het is een leuke jongen, geïnteresseerd, vriendelijk, en ik blijf een hele tijd met hem zitten praten. Van zijn collega's leer ik gebarentaal. Ik besluit om nog even de stad in te gaan, loop wat rond, bekijk nog wat moskeeën, pleintjes, mensen, maar ga dan weer terug naar het station. Ik ben best moe.
     Op het station is mijn vriend bezig een prachtige kebab te bereiden. In een grote pan op een klein brandertje. Het ziet er heerlijk uit. Hij is niet bepaald zuinig met vlees, uien en kruiden, laat staan met peper, en het ruikt heerlijk. Natuurlijk word ik uitgenodigd. Er is geen ontkomen aan. Niet dat ik dat wil, want het lijkt me heerlijk, en ik heb ook wel trek ondertussen. Ik word meegenomen naar een parkje naast het station, en onder treurwilgen (of zo) staan drie bankjes in een kring rond een tafel. We gaan zitten, en vallen aan. Er is witbrood, dat als bestek dient. Het duurt even voor ik de slag te pakken heb (vooral de brokken vlees zijn moeilijk te pakken). Het smaakt fantastisch. Beslist de beste kebab die ik ooit at!
     Ik ga nog even de stad in, naar die hoge toren middenin de Koerdische wijk, en koop wat te eten en te drinken. Het duurt nog uren voor de trein vertrekt. Als ik weer terugkom, zitten naast mijn rugzak op het perron twee meisjes. Van grote afstand zie ik al dat ze bijzonder mooi zijn. Ja, zij gaan met dezelfde trein van vanavond naar Griekenland. Ze zijn naar Corfu en Istanbul geweest, en gaan nu nog even terug naar Corfu. Ze heten Kim en Marieke, zijn ongeveer even oud als ik, en komen uit Amersfoort. Ze zijn egaal bruin geworden, lijken er erg exotisch door, maar zijn toch echt Nederlands.
     Ze hebben vreselijk veel gekocht, en we laten elkaar de aanwinsten zien. Ze hebben veel ringen, broeken, oorbellen, speelgoed, en natuurlijk ook een waterpijp. De mijne is lekker groter. Als ik zeg hoe mooi ik die kleine ringetjes vind, krijg ik ze meteen. Aardige binnenkomer. Marieke leest de Quincunx door Palliser, en ik ga maar weer verder in Kerouac (On The Road). Nog vele uren te gaan. Ik was mijn haar bij een fonteintje, nauwkeurig gadegeslagen door de beide meiden en een groot aantal Turkse moeders, doe mijn nieuwe oorbellen in, en koop van mijn allerlaatste Turkse geld sigaretten (veel). Ik heb wel weer zin in Drum.

Naar Griekenland

Ik sluit me min of meer bij de dames aan, en samen lopen we naar het juiste spoor. We nemen afscheid van de bagagebewakers, en zowaar: de trein staat er al. En wie zitten er al in? Natuurlijk, Mirten en Bastiaan. Wie anders? Ook zij komen uit Istanbul (ja, zij hadden Armand en co ook ontmoet), en reizen nu ook naar Griekenland. Mijn reservering is dubbel. Op mijn plaats zit iemand met een identiek reserveringsbewijs. Blijkbaar hebben de Turkse spoorwegen nog geen computers, niet voor de trein naar Griekenland. Ik besluit om bij Mirten en Bastiaan in de coupé te gaan zitten. Bovendien is dat dichter bij Marieke en Kim.
     Bastiaan is flink ziek, en ik geef hem mijn norit mee. Hij gaat snel slapen. Van Mirten was in Polen, al op de tweede dag van hun vakantie, de rugzak gestolen, en hij had in Polen alles nieuw moeten kopen. Poolse rugzak, Poolse T-shirts, Poolse pen. Ze willen nu naar Samothraki, een eiland helemaal in het noorden van de Egeïsche zee, en stappen dus in Alexandroupolis uit. Fraaie naam. Het wordt gezellig (mijn melk valt van het tafeltje, open, op z'n kop, in mijn schoen), we wisselen een grote lading belevenissen uit (Roemenië), en blijven lang op. Totdat... de grens.
     Het is al laat als we er aan komen. Stapvoets rijdt de trein op een krakende, stalen brug over een weelderig groene afgrond. Centimeter voor centimeter kruipen we Turkije uit. Althans, ik vermoed dat deze afgrond de geografische grens is. Als alle wagons er over zijn, stopt de trein met piepende remmen. Dat gaat wel even duren. Ik heb in mijn leven veel verlaten grensstationnetjes gezien, maar zo leeg en zo niets als dit Svilengrad toch maar zelden. Alle personen die er zijn, lopen met uniformen en vuurwapens. Nadat ze onze paspoorten hebben afgepakt, schijnen we naar buiten te moeten. Ze gaan de trein doorzoeken. Er zijn vreemde dingen gebeurd. Zo bestaat onze trein nog maar uit twee wagons, en de locomotief is verdwenen. In die twee wagons zitten alleen maar westerse jongeren. En ze hebben allemaal interrail. Welke gek reist er anders over Svilengrad?
     Zonder locomotief, zonder paspoort, op een eeuwen lang van beide kanten hevig bevochten grens. Het wordt nog leuk. Er is een cafeetje om de hoek, en we drinken wat chai. Dit is dus nog het Turkse deel. We rennen weg als we denken dat onze trein vertrekt, maar er is nog in geen velden of wegen een locomotief te bekennen en we gaan het café maar weer in. De Turken lachen als ze ons weer binnen zien komen. Voor we weer instappen, merken we dat de tax free-shop open is, en voor zeven DMark koop ik een fles raki (Yeni natuurlijk), en twee pakjes Drum. Zowaar, echte Drum in Svilengrad!
     Uren later halen we onze paspoorten weer op. Een voor een mogen we uitzoeken uit de grote stapel. In de trein heb ik overigens de Griekse inventarislijst (een deel waarvan we vertalen als: 20 spiegels, 40 verdiepingen, 40 plaatjes) achter glas al vervangen door de kaart van Gmune (die heb ik altijd bij me). Marieke en Kim snappen er niets van.
     Als we Griekenland binnenrijden, bedenken we ons dat het misschien gevaarlijk is met een fles raki naar Griekenland te reizen. We willen die Grieken ook niet voor het hoofd stoten, toch? De fles is al half leeg. En we besluiten het etiket te verwijderen, en op het restant ervan te schrijven dat er ouzo in deze fles zit. Een reepje etiket blijft zitten: Yeni Ouzo.

Andermaal gedrieën

Als ik ontwaak, zijn Mirten en Bastiaan al weg. Er ligt een briefje: "tot ziens." We zitten diep in Griekenland. En dat is te merken aan de temperatuur. Alle ramen staan tegen elkaar open en de trein rijdt stevig door, maar toch word ik badend in het zweet wakker. God, wat een hitte! Puffend ga ik uit het raam hangen. Ik rook een sjekkie. De trein rijdt echt hard, maar ik zweet me nog steeds te pletter. Met mijn hoofd uit het raam kan ik voelen hoe warm het werkelijk is. Oei. Misschien is Athene toch niet zo'n goed idee.
     Ik geloof niet dat het al zo warm is geweest deze vakantie. Het is veel warmer dan in Istanbul of Saricakaya. Later blijkt dat het buiten rond de veertig graden is. Dat kan wel kloppen, ja. Ik word helemaal gek van de hitte. Weinig gegeten (want weinig geld), en nergens een plek om de hitte te ontlopen. De trein raast door en door. Uren en uren en uren rijden we door het Griekse land. Mooi hoor, daar niet van. Kim en Marieke raden het me in verband met smog sterk af om naar Athene te gaan, en stellen voorzichtig Corinthe voor. Maar Kim zegt al snel: "Je kunt ook meegaan naar Corfu."
     Bah. Dat trekt me helemaal niet. Ik ga maar naar Corinthe, denk ik. Goed voor mijn klassieken. Ik weet niet of ik wel met ze mee wil. Maar ze zijn mooi, en prettig als gezelschap. Marieke ligt op haar rug de Quincunx te lezen, Kim staat naast me bij het open raam een sigaret te roken. Ze zijn een aantal jaar jonger dan ik. Kim verbaast zich over mijn ontmoeting met Mirten in de trein in Istanbul. "Als wij in Turkije vriendinnen uit Nederland zouden tegenkomen, zouden we volledig uit ons dak gaan!" voorspelt ze. Zoiets als dit heeft ze nog nooit meegemaakt. "Hm, Mirten is niet de persoon om in de armen te vliegen," antwoord ik, en ik vertel over mijn ontmoeting met Armand op de bazaars, en breng het Britse flegma ter sprake. Maar als de dames iets niet zijn, is het wel flegmatiek, en Britse humor is alleen bij uitzondering aan ze besteed.
     Oneindig lijkt het te duren voor we Thessaloniki bereiken. Het is al in de avond, en het is tijd voor de oplossing voor het allergrootste probleem: geldgebrek. Geen van drieën hebben we contant geld over, en we gaan gezamenlijk de stad in, op jacht. De twee nemen veel initiatief, en er zijn momenten dat ik ze nauwelijks bij kan houden. Van bank naar restaurant, van hotel naar automaat, en dan naar een jeugdherberg. In een klein hotelletje lukt het Marieke en Kim om een traveller's cheque in te wisselen tegen contant geld. Maar met de Postbank kom je dan niet ver.
     Ze zijn makkelijker met geld dan de Noren. Geld moet rollen. Direct schuiven we aan op een terras en bestellen baklava. Zij drinken ijskoffie, maar ik houd het maar op echte koffie. Turkish coffee? Of moet ik Greek coffee bestellen? Er is tussen Griekse en Turkse koffie geen noemenswaardig verschil (zouden Grieken en Turken het zelf blind en feilloos kunnen onderscheiden?). We praten over Griekenland en over de Grieks-Turkse haat. Zij zijn voor Griekenland, alsof het om een wedstrijdje gaat. Kim is blij dat ik tenminste het Griekse alfabet kan lezen. Roemenië interesseert ze niet, en ze kijken me met verbazing aan als ik vertel. Kim luistert uit beleefdheid, Marieke zelfs dat nauwelijks. Maar de baklava is iets duurder dan we vreesden, en bijna al ons geld is al weer op.
     Op het station probeert Marieke om naar huis te bellen, en ik praat met Kim over haar ouders. Ze heeft veel ruzie gehad, en pas de laatste tijd gaat het weer iets beter. Nu ze op vakantie is, worden haar wietplanten door haar moeder verzorgd (!). Ze verdienen geld op reis door de haren van andere mensen te vlechten zoals bij henzelf. Hun eigen haren zijn hun reclamemateriaal. Eindelijk is het Marieke gelukt om haar ouders te pakken te krijgen, en ze worden gerust gesteld. Mooi gezicht, een Grieks telefoonboek. Buiten zien Kim en ik een werkelijk prachtige zonsondergang, met een van lichtroze via blauw tot diep-paars variërende lucht. Met een lege maag stappen we in de avond op de trein naar Athene. Met het oog op onze nachtrust confisqueren we een coupé voor ons drieën.
     Het is wel zo slim om met ze mee te gaan naar Corfu, bedenk ik mij de volgende dag. Als er ergens op de wereld een postkantoor op zondag open is, is dat wel op Corfu in de zomer lijkt mij. Niet alleen het geldgebrek is het probleem, maar vooral het weekend. Alles is dicht. Dus in Athene besluit ik om mee te gaan met ze, we kopen op het station wat te eten van ons laatste geld (en krijgen zelfs nog iets duurders), en gaan naar de trein. Een brutaal mens heeft de halve wereld; een mooi mens heeft 'm helemaal. Het blijft leuk om te zien hoezeer mannen mooie meisjes nastaren. Sommigen zijn vreselijk onbeschoft, en krijgen zelfs een lief of verlegen lachje toegeworpen. De meiden vinden het heerlijk.
     Gruwelijker treinreizen dan die naar Patras heb ik niet meegemaakt. De drukte is enorm. Het gangpad is geheel bezet, maar de mensen zitten ook op de rugleuningen van de banken, in de wc's, noem maar op. Niemand wil door Joegoslavië. "Every now and then a conductor came by, kicked at my nargileh, and went on," schreef ik Gunnar later.

Corfu

We zitten op een terrasje in Patras. Het is 2 augustus. Veel meer dan ijsjes verkopen ze niet. Het is zondag en alles is dicht. De helft van de mensen hier is in het bezit van een interrail. Kim en Marieke drinken ijskoffie, en ik neem een sinaasappelsap. Geldgebrek blijft het grote probleem. Ik ben met ze overeengekomen mee naar Corfu te gaan, omdat daar op zondag het postkantoor open zal zijn. Corfu klinkt niet geweldig aantrekkelijk, maar de terugreis vanuit Istanbul is veel te lang om in één keer te doen, en rustpauzes zijn een must.
     Ik zit met Kim te praten, terwijl Marieke zich omkleedt in de wc van het café. We voelen ons vies na de lange treinreis vanuit Istanbul. En ik kan lullen wat ik wil, maar Corfu is echt fantastisch, hoor! Ja, sorry. Dan komt Marieke terug, en veel heeft ze niet aangetrokken. "Jij bent onze waakhond," zegt ze, en steekt wulps nog een Prince-sigaret op.
     Bij een kiosk langs het park kopen we een stapel koekjes. Ik hoop dat dat genoeg is tot morgenochtend en dat we, als we eenmaal op Corfu zijn, ook snel een postkantoor zullen vinden. We eten wat koekjes in het gras. Ze zijn erg vies. Honger maakt rauwe koekjes in elk geval niet zoet. We spelen wat in de fontein, in de speelplaats, en praten over standbeelden. Ik wil er wel een staand, maar de dames hebben na hun dood liever een liggend standbeeld.
     "Zullen we de boot maar eens gaan zoeken?" stelt Kim voor, en we gaan naar de kust. Bij de kantoren van de kaartverkoop voor de boten zien we een supermarkt die open is. Komen wij aan met onze koekjes. Nou ja, veel geld hadden we toch al niet. In de haven lopen Kim en Marieke op een sinaasappelverkoper af, en bewegen zich wellustig om hem heen om perziken te bemachtigen. De verkoper is gecharmeerd, en gaat niet in op hun aanbod om hun ringen te ruilen voor perziken. We krijgen de vruchten gewoon. En wel drie.
     Tegen een muur in de haven gaan we zitten wachten, terwijl Kim als eerste in de rij gaat staan voor kaartjes. Ze hoeft in de rij niet afgewisseld te worden. Ze heeft de kaartjes al, en terwijl zij haar perzik eet, trek ik mijn broek uit, en ga in mijn onderbroek weer op de grond zitten. Kim kijkt me geïnteresseerd aan terwijl ik de gaten in mijn broek ga dichtnaaien. Mannen die langslopen kijken op me neer. Twee vrouwen, en wie zit er de kleding te herstellen? De man. Niet bepaald volgens een goede Griekse gewoonte. Maar Marieke en Kim vinden het erg leuk, zeker als blijkt dat ik de gaten verkeerdom heb dichtgenaaid. In elk geval is de foto wel erg goed gelukt.
     Niet alleen onze samenstelling en uiterlijk trekken de aandacht. De dames maken zich erg vrolijk om zelfverzonnen variaties op zomerhits, en zingen luidkeels Last night a DJ shaved my wife waarbij ik met een diepe, serieuze stem inval, of andere persiflages. We huppelen en dansen, en andere interrailers raken door ons aangestoken. Een enkeling werpt ons een drachme toe, anderen louter vernietigende blikken. Ja zeg! Zo heeft iedereen wat. We zijn op vakantie hoor! We kennen weinig schaamte, doen niets dan waar we zin in hebben en beleven veel plezier.


Patras

Zonsondergang in Patras.


Voordat we aan boord gaan zakt de zon vuurrood in zee. Als we eenmaal op de boot zitten, wordt het al snel donker en ik ga slapen. We liggen op dek, onder de donkere sterrenhemel. Marieke en Kim gaan praten met een vreselijke Nederlandse meid (dat zullen ze later zelf ook zeggen) en haar vriend. Over Izmir, Antalya en een plaats in de Sinaï waar iedereen continu stoned is. De dames worden vannacht flink zat, en gaan pas laat slapen. Ik kom slecht in slaap. De sterrenhemel is prachtig.
     De volgende ochtend komen we vroeg aan bij Corfu. We slapen nog half als we bepakt en bezakt de boot af wandelen. Ik heb stevige trek, na alleen die koekjes en perziken gistermiddag. Bovendien heb ik pijn in mijn rug, en ik heb slecht geslapen. Ik verbijt mijn ochtendhumeur. In de haven zoeken we direct een plaats waar we de rugzakken achter kunnen laten. Er zijn er talloze. Gelukkig kunnen we achteraf betalen, want we hebben echt geen rode cent meer. We nemen maar één kluisje, omdat dat goedkoper is. Kim en Marieke willen twee nachten blijven. We nemen slaapzakken en handdoeken in tassen mee, en dan wandelen we naar boven, naar het dorp om een bank en een postkantoor te zoeken. Kim en Marieke schrijven elk een traveller's cheque uit bij een bank, en ik sta op het postkantoor met mijn pasje. Het is een grote, koele ruimte, en de meeste mensen in de rij staan te roken. Nee, niet zonder cheques, meneer. Mijn betaalkaarten zitten denk ik nog in mijn rugzak, en ik moet teruglopen. Een automaat die mijn pasje accepteert, staat hier helaas toch niet. Doe mij koffie.
     Ik loop terug. Het is echt een kolere-eind, en het is vreselijk heet. Ik vind mijn cheques in mijn rugzak. Op het terras zitten de dames nog braaf met een cola op me te wachten. Ik loop naar het postkantoor, en dan bestellen we driemaal uitgebreid English breakfast. We bulken weer van het geld. Ik eet ook de rest van het ontbijt van de meiden op. Poe. Ik zit vol.
     Ik leun achterover en besluit om hier niet langer dan strikt noodzakelijk te blijven en morgen weer te vertrekken. Dat zijn Kim en Marieke beslist niet van plan, en dus moet ik (weer) terug naar de haven. Ik zie die showbinken, mannen op lullige Jawa's die trots hun brede borst laten zien, Duitsers op Honda's die met een enorme vaart door de smalle straatjes scheuren, Italianen in strakke broeken. Overal is cola (coca) en bier, en het is louter toerisme wat de klok slaat. Kim biedt aan met me mee te lopen, en Marieke blijft op het terras zitten wachten. Ze bestelt nog een ijskoffie, in een longdrinkglas met ijsblokjes en een rietje. Terwijl ik met Kim van haar weg loop heb ik uitzicht op de drukke straat, kraampjes die de ochtendkrant verkopen, mensen die een meeneemontbijt kopen of koffie drinken, en een prachtige meid in een strak jurkje die op een terras op de hoek van het drukke kruispunt bevallig een sigaret zit te roken. Ze kijkt een beetje verveeld voor zich uit, alsof de wereld haar niet aangaat.
     De straat loopt geregeld sterk naar beneden. Ik praat met Kim over Corfu als toeristenindustrie. Voor haar maken de prachtige stranden en het heerlijke klimaat alles goed, zelfs het feit dat het eiland alleen Corfu heet omdat die stomme toeristen Kerkyra niet uit kunnen spreken. Het eiland doet me denken aan Ios, maar Corfu is minder extreem, minder georganiseerd, lijkt het. Net zoveel als daar is het zomerse leven ook hier geheel gericht op de toeristen. Ik schat dat meer dan negentig procent van de bevolking zich in de zomer op de een of andere manier bezig houdt met de toeristenindustrie. Alle teksten op het eiland zijn in het Engels geschreven; ik zie maar heel weinig Griekse tekens (die kunnen die toeristen natuurlijk niet lezen), laat staan Grieken. En veel van de aangeboden diensten hebben te maken met voedsel of sex. Bier, sex en vlees zijn de eerste drie levensbehoeften van de westerse toerist. Ik zal niet zeggen dat ik er van gruwel. Het maakt het leven wel heel simpel. Maar langer dan één dag is dat niet leuk.
     Het is al in de middag als we de bus van de hoofdstad Kerkyra naar het strand nemen. Tijdens het ontbijt heb ik op de kaart gezien dat dat aan de andere kant van het eiland ligt, aan de Ionische Zee aan de westkust. Corfu is best groot. Als ik morgen op de boot terugga, zal ik het bergland in Albanië kunnen zien liggen, zie ik. Dat we zo dichtbij Albanië zijn, interesseert de meiden niks. Pelinkas Beach heet het. De busreis duurt wel een uur. Vlak buiten de stad zie ik van heel dichtbij een klein vliegtuig opstijgen. Het eiland blijkt buiten de hoofdstad Kerkyra heel dun bevolkt te zijn. Er zijn kleine dorpjes, maar er is overal redelijke welvaart. Ik zie geen ezels, karren, en heel weinig boeren. Diana Ross heeft hier een huis, zeggen ze.
     Het is heet in de bus, en er staan veel mensen in. Marieke, Kim en ik zitten met z'n drieën naast elkaar op een bank. Pas als we over de berg heen zijn, en weer gaan dalen, moeten we er uit. Vlakbij het eindpunt. Dan begint de lange weg naar beneden. Het is een smal, maar makkelijk te volgen pad. Zo nu en dan is het moeilijk een stap naar beneden te doen omdat de trappen vaak erg steil zijn en de treden glad.
     Het is korter dan de verharde weg naar beneden, maar ook die is niet tot op het strand te volgen. Dat betekent niet alleen dat er geen auto's of brommers beneden zijn, maar ook dat de politie het strand 's nachts zelden controleert, in tegenstelling tot bijvoorbeeld op Ios. De politie hier heeft vaak geen zin in de lange weg naar beneden. We nemen op de lange afdaling één pauze, omgeven door de mooiste en meest uiteenlopende planten, bomen, bloemen en cactussen. Iets verderop zien we vanuit de hoogte het strand liggen, door de bloemen en bladeren heen. Het is een prachtig gezicht, een lichtgeel zandstrand met een diepblauwe zee en een strakheldere hemel erboven. Er liggen opvallend weinig mensen.
     Het is nog wel ver naar beneden, maar als we op het strand aankomen, rennen we direct naar het water. De meiden hebben me al verteld dat ze hier altijd naaktzwemmen, ook een gevolg van de weinige politiecontrole. We leggen onze spullen neer, en rennen het water in. Iedereen op het strand kijkt ons na. Ik geloof dat onze spullen wel veilig zijn.
     We zwemmen een eind. Het water is zó helder dat tot heel diep de bodem nog te zien is. Het is een vreselijk mooi strand. Iets verderop op het strand installeren we ons, en samen met Kim ga ik direct weer de zee in. Marieke gaat liggen zonnen op het strand. Er liggen prachtige rotsformaties in het water, met veel zeewier, maar voor het grootste gedeelte bestaat de bodem uit zand. Tot meer dan twee meter diep is de bodem nog te zien. Het is een ongelooflijk gezicht. De hele verdere dag luieren in de zon. Ik zon, ik zwem, en ik lees veel in Kerouac. Eindelijk. In de avond op het terras lees ik 'm uit. Maar ik ben blij dat ik morgen wegga. Ik voel er niks voor om nog een dag in de zon te liggen niksen, hoe fijn het deze ene dag dan ook is. Ik rust goed uit.
     Er zijn hier alleen mooie mensen. Kim en Marieke begroeten twee Nederlanders. De meiden kennen vrijwel iedereen hier. Ze hebben hier drie weken aan één stuk op hun blote reet in het zand gelegen, even een weekendje Istanbul voor inkopen, en dan nog een vierde week om af te kicken. De rode zwembroek heeft een kale kop en is een zeker zo mooi mens als zijn helblonde vriendin. Hij zit onder de tatoeages en is zeer sympathiek. Ik stel niet zonder genoegen vast dat ik er niet echt bij hoor. Zelfs als die toeristen hier anders zijn, dan nog zijn ze eerst mooi. Ik ben eerst anders, en daarna pas misschien ook mooi.
     Een aantal uur zijn de dames op het strand samen geconcentreerd bezig om de haren van een Grieks meisje te vlechten, en ik kijk geïnteresseerd toe. Tegen de avond gaan Kim en Marieke de vlechtjes uit hun eigen haren halen, en ik ga alvast op een terras zitten. Als het donker wordt, stroomt langzaam het strand leeg. Wanneer de twee meiden op het terras af komen (met plotseling veel langer haar), besluiten als laatste ook de twee Nederlanders de lange klim naar boven te ondernemen. Weinigen blijven op het strand slapen, ik denk alleen de dames en ik. Er is nog wel personeel in het restaurant, en her en der loopt een verdwaald iemand op het strand. Het is stikdonker, we eten Italiaans bij kaarslicht, en drinken een fles witte wijn leeg. Tijdens het eten vertellen ze me dat we één van de wigwams op het strand mogen gebruiken om te slapen.
     We roken nog wat sigaretten, en praten over allerlei drugs. De dames hebben nogal geëxperimenteerd. Hasj en wiet, maar ook methadon ("je moet gewoon op zo'n bus afstappen, jôh!"), LSD en andere namen passeren de revue. Kim vertelt me dat het de school was die het hem deed. Ze zat op het vwo op een grote scholengemeenschap. Nu, sinds ze op een minder leerfabriekachtige en minder strenge school zit, gaat het ook beter.
     Ik wil overdag op de boot zitten, en heb besloten de ochtendboot te nemen. De eerste bus gaat om zeven uur of zo, en ik moet gezien de lange klim naar de halte voor zessen op. Maar het is al ver na middernacht als we afrekenen, en we gaan het strand weer op. Het is doodstil om ons heen. Niemand te bekennen in de wijde omtrek.

Naar Italië

De volgende ochtend word ik in het ochtendgloren gewekt door mijn HEMA-wekkertje. Kim en Marieke slapen erdoorheen. Ik was mijn haar en mijn lichaam in de nog ijskoude zee, laat een briefje achter voor de meisjes, pak mijn spullen en begin aan de lange klim naar boven. Het zijn zo'n beetje de enigen op deze vakantie waar ik geen adressen mee heb uitgewisseld. Ik kom nog wat zatte mensen tegen in het gloren van de ochtend. Zij dalen af. Ik loop weer door. Ik snap ze niet. Ik haal de bus op het nippertje; er staan al wel tien mensen bij de halte. Even wakker worden. Ik heb zin in koffie.
     Na de veel te lange busreis neem ik op het plein in Kerkyra de verkeerde weg, maar besluit dat ik geen tijd meer te verliezen heb en door moet lopen. Het gaat wel ongeveer in de goede richting. Ik kom door een prachtig stuk centrum van het stadje, volledig vernield door de toeristenindustrie, en loop door de haven voor de vrachtschepen. Ik vind het bagagedepot en mijn boot op het laatste nippertje, en heb moeite om me in te checken. Ik ontdek nu pas dat echt iedereen met een andere maatschappij vaart. Als ik aan boord wil, moet ik toch weer in de rij wachten. Eigenlijk ben ik blij dat ik van dit eiland af mag.
     Ik ben ook blij weer alleen te zijn. Hoe lang is dat geleden? Sinds Boekarest. Op de boot is het druk. Veel mensen komen direct uit Patras, een bootreis van zo'n vierentwintig uur. Poe. Die durven. Veel keus is er trouwens niet. De boot is juist zo druk omdat er oorlog in Bosnië is. Ondanks de omleiding willen toch velen de trein Wenen-Athene niet te nemen. Ik ook niet. Ik leun onder een afdakje op het dek tegen mijn rugzak. Naast me liggen Fransen die veel joints roken. Niemand merkt het. Ze maken mooie muziek op een houten bord met snaren en twee trommels, en ik kom wat tot rust. Mmm, weliswaar omringd door mensen maar gelukkig weer alleen. In de tax free-shop koop ik een slof Camel. Binnenkort kom ik in duurdere landen. Het noorden van Italië, Frankrijk, de Ardennen. Het is beter om nu vast inkopen te doen.
     Ik heb over maar heel weinig steden in Europa zulke vreselijke verhalen gehoord als over Brindisi. En het is dan ook inderdaad niet veel soeps. Het grootste probleem echter is de afstand tussen de haven en het station. In de gruwelijke hitte loop ik met mijn rugzak om dapper door en haal iedereen in. Op het station ziet het zwart van de interrailers. Ze zitten over de hele vloer verspreid. Er is nauwelijks ruimte om te lopen. Treinen hier vandaan zijn er ook niet zoveel. Na wat dubben besluit ik zo snel mogelijk te maken dat ik hier wegkom. Ik laat mijn rugzak bij een heel mooi Noors meisje achter, stuur Aline een kaartje, en neem dan de trein naar Milaan.
     Ik ga maar wat slapen. Een nette Italiaan leest een roddelkrant (of zou het een echte krant zijn? Het verschil is hier niet altijd even duidelijk), en ik zit samen met twee Nederlanders in de coupé die net van Ios terugkomen. Ze hebben er zowaar lol gehad. Ik slaap onder grote hilariteit lekker in de bagagerekken op het gangpad.
     In de ochtend bereiken we Milaan. Wat een stad... We zijn weer terug in het rijke westen, hoor. Dure kiosken, dure broodjes, dure kledingzaken, dure Italianen. Wat vreselijk hier! En dus hier ook maar snel weg. Ik herinner me hoe lang het wachten duurde, en dat er hier plotseling geen buitenlandse kranten te koop waren. Hoe lang heb ik in al die landen, Italië, Frankrijk, Luxemburg, België, gezocht naar de New York Times. Nou, vooruit, The Observer dan. "Any foreign newspaper whatsoever? Aha... Well, thank you." Volgens mij heeft dat direct te maken met het nationalisme in die landen. In Turkije lag op elke straathoek (en niet alleen in Istanbul) een Engelstalige krant. Maar in Italië is alleen Italiaanse lectuur te koop, in Luxemburg alleen Luxemburgse, en in Frankrijk... Al het andere schijnt categorisch te worden geboycot. Het moet gezegd worden dat het me in België uiteindelijk lukte (in Verviers) om een Nederlandstalige krant te kopen: de zaterdageditie van de Volkskrant.

Parijs links laten liggen

Na lang wachten staat de trein naar Lyon op het perron. Om er te komen moet eerst mijn kaartje worden bekeken door een vent in uniform. Op de trein gaat ook de conducteur mijn interrail nog controleren, en vlak voor de grens zal de douane nog vervelend gaan doen omdat ze me van weet ik veel wat verdenken. Ze laten pasjes zien en lopen in uniformen, met hun pistolen duidelijk zichtbaar in het holster. Sommige personen pikken ze eruit, tonen die een foto en doorzoeken hen. Ik krijg de foto niet te zien maar moet wel mijn portemonnee en al mijn zakken leegmaken en de inhoud op het opklaptafeltje leggen. Het wordt nauwkeurig geïnspecteerd, en ik word nog even onderzoekend aangekeken. Big Brother is already watching us! Als we lang haar hebben.
     Naast me zit een Luxemburger. Ik heb hem op het station ontmoet bij de fonteintjes. Hij reist ook altijd alleen. Bij de legercontrole blijkt hij precies even oud als ik, dezelfde dag. Hij vermoedt dat er iets gaande is, een crimineel ontsnapt of zo. We praten heel gezellig over Luxemburg, over Nederland, en over Bulgarije, waar hij een vriendin heeft zitten. Ik besluit om een dag naar Luxemburg te gaan, om uit te rusten en de was te doen, en hij geeft me het adres van een jeugdherberg. Het is er vast nog steeds mooi, en het ligt op precies de goede afstand tussen mezelf en Verviers.
     Achter ons zitten rasechte Amerikanen. Alleen dat accent al. Rotte vooroordelen. Ze komen uit Long Island, maar blijken zeer okee te zijn, ergeren zich aan toerisme, en aan hun landgenoten die Europa in één week willen zien. De Luxemburgse jongen reist naar Parijs, en in Aix-les-Bains, een dorpje dat eigenlijk vooral overstapstation is, neemt hij met de Amerikanen de TGV naar Parijs. Hij is vriendelijk, maar ik ben opgelucht dat ik weer alleen mag zijn. Ik wil proberen om Parijs te vermijden, niet in de laatste plaats om het geld. Ik ben sinds zes jaar niet meer in Parijs geweest en herinner me het vooral als poenerig duur, evenals iedereen die ik sindsdien over Parijs heb horen spreken. En het scheelt op weg naar Luxemburg veel kilometers. Klinkt als een uitdagende onderneming. Uiteindelijk kost het me natuurlijk vele uren en grote ergernis vanwege het vele overstappen in Lyon, Dijon, Metz, en ik geloof niet dat Parijs zoveel duurder zou zijn geweest dan Luxemburg zou blijken te zijn.
     In Lyon zie ik een TGV wegrijden (lijkt me toch wel leuk), de prijzen van broodjes zijn er astronomisch hoog, en ze weigeren mijn briefje van 1000 lire te wisselen. 't Is niks waard. Maar ik kan goed terecht met mijn Frans, tot mijn eigen stomme verbazing, en vraag in één adem of ik reserveringen nodig heb voor die en die trein, of wat ik moet doen om in Luxemburg te komen. Het meisje achter die balie kijkt wel wat vertederd, geloof ik. Zo'n blik van: 'Ik spreek echt wel Engels, maar hij probeert het zo lief in het Frans.' En ze geeft me een compleet overzicht van de reismogelijkheden, zwart op wit. Dat is ook wel nodig, zie ik als ik mijn reis probeer uit te stippelen. Vooral niet kijken naar de TGV Lyon-Parijs, en de intercity Parijs-Luxemburg die toevallig perfect op elkaar aansluiten.
     In Dijon word ik op het perron gegroet door een mij volslagen onbekende jongen. Hij lacht vriendelijk. Ik weet niet meer wie het eerst hoi zei; er was sprake van wederzijds begrip. En in Metz word ik door de man tegenover me wakker gemaakt. Doodmoe van het treinreizen. Ik heb rust nodig. De man had de controleur horen zeggen dat ik naar Metz ging. Dat is wel een groot voordeel als je je ergens thuis voelt. In Roemenië viel ik liever niet in slaap in treinen.
     In Metz wacht ik heel lang. Een mooi station, maar wel veel vervelende, slenterende jongens in groepen. Het is wel een mooie stad, maar alles is dicht, geen mogelijkheden om aan geld te komen, geen enkele automaat die mijn pasje slikt, en in een restaurant willen ze geen Postbank-cheques verzilveren. Zit wat in. Eindelijk de trein naar Luxemburg. Het is al laat in de avond, een uur of negen. Ik heb het gevoel of ik thuis kom.
     De trein is werkelijk heel opvallend. Bruin-vaal van kleur, met een zeer futuristisch ontwerp. Binnen zijn de coupé's van het gangpad afgesloten door bruin rookglas van de vloer tot het plafond. Er zit een opening in, maar geen deur. Airconditioning natuurlijk. Er is veel gebruik gemaakt van ronde vormen, in de coupé zijn zes kuipstoelen met zijsteunen, Maar wat het meest opvalt is wel het enorme raamoppervlak. Niet dat er iets te zien is. Stikdonker buiten.
     Ik vind de jeugdherberg zonder moeite, niet zonder problemen overigens. Maar in Luxemburg is eindelijk een automaat die mijn pasje slikt, en ik krijg geld uit de muur om kwart over elf 's avonds. Wat een uitvinding! Helaas is de jeugdherberg volgens twee Amerikanen die er ook heen willen al om elf uur dicht gegaan. Maar de enige optie die we hebben is er toch maar op de bonnefooi langs gaan. Natuurlijk is ie nog open. Het is immers de laatste bus. Bij binnenkomst bekruipt me al een angstig gevoel. Een betonnen keet, en vooral: groot, groot! En overal interrailers. Maar ik ben doodmoe, er is geen keus, en ik check in. Ha! Slapen op een matras!

Luxemburg en Luik

Pas als ik uit mijn coma ontwaak, zie ik waar ik ben aanbeland. Goeie help, wat een pakhuis. Zo snel mogelijk maak ik me uit de voeten, en ga de stad in. Maar om mijn was te kunnen doen, zal ik toch nog een extra nacht moeten blijven. Vooruit dan maar.
     Ach, de stad is wel mooi. Het is een klein stadje, fraai tussen hoge bergruggen in gelegen, en het oude centrum is van grote schoonheid. Helaas geldt dat voor beide betekenissen van schoonheid, ook die schoonheid waar politie voor nodig is. Het doet me erg denken aan Genève, maar die stad had tenminste nog karakter. Daar was nog allure te bekennen. Luxemburg is een uit zijn voegen gegroeid dorp met dure winkelstraten. Niets meer en niets minder. En wat is alles hier afschuwelijk schoon! Waar is dat voor nodig? Vanwaar toch die westerse angst voor stof? Die preoccupatie met hygiëne?
     Tot mijn opluchting blijkt juist op dit moment in het centrum van de stad de Dali-tentoonstelling te zijn aanbeland, en ze geloven me als ik zeg dat ik student ben en mijn oude collegekaart laat zien. De tentoonstelling is zelfs mooier dan de stad. Ik ben onder de indruk van een zwart-wit tekening van een gekruisigd persoon met spatten rode verf over het hele beeld.


Luxemburg

Luxemburg.


Blij dat de volgende ochtend mijn was droog is, en ik de jeugdherberg kan verlaten. Buiten op de trap voor de jeugdherberg schrijf ik deze dag op wat ik gedurende de afgelopen paar dagen te weten ben gekomen over Msisaga, de beschrijving van de politieke, sociale en economische geschiedenis van een kleine stadstaat op een uitgestrekt continent. Op het station in Luxemburg raak ik in gesprek met een sympathieke Surinaamse ontwikkelingswerker. Op naar België, op naar Luik. Ik heb zin in Belgische rijstevlaai!
     In de trein naar Luik stappen enige duizenden piepkleine Engelse padvindertjes in, onder begeleiding van manwijven met strenge uitdrukkingen op hun gezicht. Wat een vertoning! De padvindertjes zitten keurig recht, spreken hun begeleiders met twee woorden aan, noem maar op. Ze dragen allemaal een uniform met de Engelse vlag op hun schouder. Hoe oud zijn deze meisjes nou helemaal? Zien die begeleiders de overeenkomsten met de securitate dan niet? Of doen ze het daar juist om?
     Gelukkig kan ik mijn aandacht ergens anders op concentreren. Belgische meisjes op het balkon gaan liedjes zingen in het Nederlands, en zijn erg geïnteresseerd in mij. Ik ben moe. Op het station van Luik zoek ik op de borden mijn trein naar Verviers. De meisjes zijn een jaar of vijftien, zestien en durven steeds ietsje dichterbij te komen. Als ik me omdraai om het station uit te lopen, maakt één van de meiden snel een foto van me, en giechelend rennen ze weg. Luik is bekend, vertrouwd. Op het station weet ik direct waar ik heen moet. Postkantoor, geld, en dan naar een goeie bakker. Joepie! Wat een heerlijk landje! En vreselijk lekkere rijstevlaai.
     Er kunnen nog verhalen verteld worden over de trein naar Verviers (intercity naar Keulen), het café Pays-Bas in Verviers, het oorlogsmonument waar ik met Aline had afgesproken, het moeizaam Nederlands sprekende meisje bij de VVV, de verschrikkingen van de wandeling naar die vervelende (en volle) camping, en dan die lift naar die mooie, rustige camping in Franchimont. Of over het noodweer, de loods waar we onze cola kochten, dat het 34° was, over de markt in Theux, die visvijver langs de weg, en dan vooral afsluiten met het vermelden van het feit dat toen ik thuiskwam bleek dat de waterpijp ondanks alles heel was gebleven.

Utrecht, september 1992 tot januari 1993


naar het begin van de bladzijde