home
Home

 

persoonlijk
Persoonlijk

 

muziek
Muziek

 

geofictie
Geofictie

 

Muka
Muka

 

verhalen
Verhalen

 

foto's
Foto's

 

colofon
Colofon

English (Engels)Zesentachtig

naar Scandinavië, Engeland en Portugal

Scandinavië

Dit jaar gaat mijn vader Bart niet op vakantie. Ik ben net zeventien en mijn zus Anna is bijna drieëntwintig, en er wordt besloten dat we samen zullen gaan. Bart geeft ons ieder zakgeld en een Interrail-ticket, en ik koop een rugzak waar ik trots op ben. Ik heb er veel zin in. We besluiten om globaal eerst twee weken naar het noorden van Europa te gaan en de tweede twee weken naar het zuiden, zodat we ertussen een paar dagen pauze kunnen nemen in Nederland. We kiezen voor de eerste twee weken als reisdoelen Denemarken, Zweden en Noorwegen, en Engeland, en voor de weken daarna Portugal, landen waar we geen van beiden ooit eerder zijn geweest.
     We kopen onze Interrail op zaterdag, maken een aantal reserveringen voor zitplaatsen, en vertrekken de maandag daarop rond half negen 's avonds met de trein naar Stockholm. Het is 14 juli 1986. Diep in de nacht word ik wakker als de trein tot stilstand komt op de boot naar Denemarken, van Puttgarden op Fehmarn naar Rødbyhavn op Lolland. Anna slaapt erdoorheen, en ik pak mijn sigaretten en zoek het dek. Ik laat me meedeinen met de golven, zie de zon opkomen en drink een kop koffie. Benedendeks staan vrachtauto's naast de treinen, elk vastgezet aan de vloer met een forse ketting. Een nietig wezen staat tussen de trein en een vrachtauto, denkelijk onder het wateropperlak, hoort de motoren ronken en voelt de boot schommelen. Wat een genot, zo'n boot.
     Ik blijf wakker en kijk mijn ogen uit naar het Zweedse landschap, totdat we vroeg in de avond Stockholm bereiken. We nemen de metro naar de camping die ons door de plaatselijke VVV is aangeraden. De camping is groot en lawaaiig, maar er zijn gelukkig veel jongeren op de camping.
     De stad is in oppervlakte indrukwekkend groot en ligt op vele eilanden. We kopen een abonnement op de metro. Ik geniet van de haven, de vele bossen en parken, en de mooie oude stad, Gamla Stan. Meer dan de helft van de auto's is een Volvo of Saab.
     Diezelfde avond al reizen we naar Oslo, veel kleiner dan ik had gedacht. Wat een gezellig stadje. In de nacht van woensdag op donderdag reizen we naar Halden, aan de Zweedse grens, waar Anna heeft afgesproken met haar vriend Harm, die in Zweden is voor het een of andere congres. Hij is een kalende, gescheiden Fries van eenenveertig met twee zonen van mijn leeftijd, en heeft een baan bij Philips in telefoontechniek. We wachten lang in Halden, gelukkig vlakbij de kade van de haven.
     Die nacht reizen we door naar Kopenhagen, waar we vrijdag overdag niet meer zien dan het treinstation en het stadscentrum. Op straat zitten mensen achter een opgesteld schaakbord te wachten op een tegenstander. Diezelfde avond reizen we alweer naar Nederland, waar we op zaterdagmiddag aankomen. Op zondag en maandag zijn we thuis, Anna in Utrecht en ik in Lexmond, en we doen onze was.

Engeland

De dinsdag daarop, 22 juli, reizen we met de trein naar Calais. We komen op woensdag aan in Folkestone, en reizen door naar Londen. De stad staat op zijn kop. Andrew, de tweede zoon van Queen Elizabeth en een held van de Falklands-oorlog, trouwt met Sarah, en er staan veel Britten te wachten op de rijtour die de twee morgen zullen ondernemen. Het is geen monarchistische maar een nationalistische vertoning, merk ik. Duizenden mensen met vlaggen en toeters laten zich inklemmen tussen dranghekken. Het huwelijk van Andrew zal later nog sneller op een echtscheiding uitlopen dan het vijf jaar eerder gesloten huwelijk van zijn oudere broer Charles met Diana.
     De trein naar Barnstaple gaat pas morgenochtend vroeg, en we besluiten om ons tussen de feestende Britten te leggen, achter Victoria Station, ik denk op Buckingham Palace Road. We installeren ons naast drie ouwe taarten met vlaggetjes, toeters en bellen. Iedereen hier is gek. Achter de drie zie ik een erg mooie meid liggen, maar pas nadat Anna en Harm zijn gaan slapen, lukt het me om oogcontact te maken. Ze is ouder dan ik en volkomen ongeïnteresseerd. In de nacht ga ik op onderzoek uit in een weldadige nachtelijke drukte. Ik vraag iemand om een vuurtje en noem dat "fire," waarop hilariteit volgt. Ik slaap, in mijn slaapzak op het trottoir, niet meer dan een paar uur.
     We nemen de trein naar Barnstaple in Devon. Met een streekbusje rijden we naar een mooie, kleine camping. We maken op woensdag een eerste wandeling in de omgeving.


Engeland

In Engeland.


Op donderdag proberen we lopend langs de kust om een nabij gelegen dorpje te bereiken, maar in de loop van de middag wordt duidelijk dat dat niet zal gaan lukken. En dus gaan we op zoek naar een plek om de tenten op te zetten. We lopen enige tijd langs een riviertje, maar vinden geen vlakke plaats. Het meest geschikt is een min of meer open gebied onderaan een helling van toch een graad of vijftien. Kun je daar slapen zonder weg te rollen?
     Een tent scheef opzetten valt al niet mee. De stok moet loodrecht op het vloeroppervlak staan. Ik kijk nog eens naar het resultaat. Hm. Ik was me in de rivier, en rol mezelf rond mijn tentstok. Ik lig ruim tegen het zeil van mijn enkeldakstentje aan, maar het gaat vannacht vast niet regenen.
     Behoed voor een bad in de rivier door niets dan de tentstok die zich in mijn buik drukt word ik wakker. Anna en Harm zetten koffie, en we breken de kampplaats op. Uit het niets doemt in de loop van de ochtend in de verte een boerderij op, die een eetgelegenheid blijkt te zijn. We ontbijten er en worden bediend door een oude mevrouw.


Engeland

In Engeland.


Op zaterdag 26 juli reizen we terug van Barnstaple (natuurlijk via Londen) naar Dover. Anna en Harm ergeren zich aan de drie of vier jongeren die in onze coupé van niet-rokers allemaal een sigaret opsteken. Op de boot regelen Anna en Harm twee stoelen en gaan slapen, maar ik kan niet van het dek wegblijven. Het is een prachtige, zwoele nacht op het Kanaal, en het is druk op het schip. Ik herken de veerboot van de heenreis; de plattegrond kan ik deze keer overslaan en ik loop in één keer goed naar het dek. Na een korte verkenning kies ik een plek uit met wijds uitzicht en veel wind.
     Een passerende hovercraft groet me met lichtsignalen, een machtig gezicht. Drie of vier meisjes installeren zich vlakbij me en vinden me geloof ik wel leuk. Ze spreken Engels. I'm Not Moving van Phil Collins komt in mijn kop. Tof plan, want een opening weet ik ook niet te verzinnen. Gelukkig weet zij die.
     "Excuse me, have you got a light?" Doet het altijd.
     In één adem en in mijn beste Engels antwoord ik: "Oh yes, but that's a bit of a problem, 'cos I've only got matches..." En inderdaad. Ze komt vlakbij me staan, maar het lukt niet. Het zou me niks verbazen als ze de eerste Britse persoon is met wie ik spreek sinds mijn nacht in Londen vier dagen geleden.
     We nemen de trap naar een gedeelte van het dek waar we meer beschut staan en ze krijgt haar sigaret aan. De mijne lukt door hem tegen de hare te duwen. Haar vriendinnen zijn weg en we gaan zitten op een bankje in een donkere, afgelegen hoek tegen de buitenmuur. Ze heet Shirley, komt uit Dundee, en is net achttien. De volgende sigaret steek ik aan en zij duwt de hare tegen de mijne. Ik ben gevleid als ze me zegt dat ze aanvankelijk dacht dat ik een Brit was. Het wordt fris. Binnen regelt zij twee blikjes bier bij haar vrienden en zoekt een stoel uit, design vliegtuig- of tandartsstoel, waar we samen op plaats nemen. De stem uit de speakers rukt ons uiteen.
     Ik moet me haasten om mijn rugzak en Anna en Harm terug te vinden. Zij staan al bij de uitgang. We lopen in Oostende over de kade van het grote schip weg, naar de douane. Het is nog donker, en in mijn kop speelt Third World Now That We Found Love. Tijdens het wachten bij de douane in de felverlichte zaal zoek ik haar nog.
     Als we buiten komen is het licht, zondagochtend. We vervolgen onze reis naar Utrecht, en ik naar Lexmond. Anna belt me ik meen nog dezelfde avond met de mededeling dat het allemaal zo geslaagd niet was. Ja, mee eens. Ze heeft het al met Bart besproken, en ze vinden het allebei goed als ik alleen op vakantie ga. Bart zit vijf meter verderop in de kamer een boek te lezen. Ik vind het ook goed als zij alleen gaat, maar ik hou mijn mond. Ik ben zeventien. Ik meen dat zij naar Oostenrijk gaat. Ik laat me Portugal niet ontglippen en verheug me op het klimaat.
     Ik krijg de kans om dingen mee te nemen waar Anna haar neus voor ophaalt, zoals een walkman, en ik kies bewust voor niet de mooiste muziek. Ik neem een bandje of vier, vijf mee in de wetenschap dat die muziek me nog jaren later aan deze vakantie zal herinneren. Ik laat alle kookbenodigdheden thuis. Wat moet ik in Portugal met een brandertje?

Portugal

Ik neem op maandagavond 28 de trein van Utrecht via Rotterdam naar Parijs. Ik kom moeilijk in slaap. Op de gang in een andere wagon ontmoet ik een meneer die me een slaapcoupé aanbiedt. Hij slaapt er zelf ook en de couchette tegenover hem is nog leeg. Ik vertrouw hem, versleep mijn rugzak en laat me een couchette aanwijzen tegen de rechterwand, de derde van onderen en op een na bovenste. Ik klim erin, en merk dat de onorthodoxe vorm van het bed heerlijk ligt. Een tijdje nog ben ik gebiologeerd door de achter de verduisterde ramen voorbij flitsende lichtjes en de dunne streep donkere lucht, en val dan in slaap.
     Dinsdagochtend half zeven wekt mijn Klaas Vaak me als de trein al op het station stilstaat. Dat is een voordeel van een kopstation, bedenk ik me nog, dat je in slaap kunt vallen op weg naar je bestemming. Ik sta op het punt de nadelen ervan te ondervinden. Een bank is op station Nord al wel open om deze tijd, en ik koop Franse francs en ontbijt, maar ik lig nog een hele tijd tussen een groep Interrailers te wachten tot de plaatselijke VVV open is. Mijn trein vertrekt van station Austerlitz, en ik heb geen idee hoe ik daar kom. Ik krijg een gratis plattegrond van Parijs mee en koop een kaartje voor de metro. Ik zie de stad alleen ondergronds. Om half tien vertrekt de trein naar Lissabon, met als geplande aankomsttijd vijfentwintig uur later.
     Ik dacht dat ik de trein op het nippertje had gehaald, maar nog na mij komt een wat oudere dame in looppas op de trein af. Ook zij redt het nog, en ik neem beleefd haar koffers aan. Ze heeft er wel vijf, en stapt nog maar half in terwijl ze druk achterom blijft gebaren tot iemand haar de laatste koffer aangeeft. Ze draagt een kleurrijke, wijde jurk, een doek om haar schouders, en opzichtige sieraden. We blijken plaatsen in dezelfde coupé gereserveerd te hebben, en niemand voegt zich bij ons (ik heb twee zitplaatsreserveringen op zak).
     Ik heb maar drie jaar Frans gevolgd, en mijn laatste lessen waren twee jaar geleden, maar ik ben er goed in om begrippen op een andere manier te omschrijven, en het lukt ons redelijk om een gesprek te voeren. Ze is Portugees maar woont al sinds vele jaren in Frankrijk (ik meen dat haar vader Frans en haar moeder Portugees was), en reist al bijna even zovele jaren 's zomers voor drie of vier maanden naar Portugal terug, waar ze een tweede huis heeft. Drie of vier maanden? Da's een leuke vakantie. Ze vertelt me dat veel Portugezen ook Frans spreken, hoewel de jongeren minder, dat Lissabon helemaal niet zo'n grote stad is maar wel oud en erg mooi, en ze maakt me attent op Alfama, waar ik beslist heen moet om er eens te verdwalen. Dat zal ik zeker doen.
     Na een tijdje word ik moe van haar en verontschuldig me. Het kan makkelijk, want het is een coupé voor niet-rokers. Op de gang luister ik op mijn walkman naar Gentle Giant, onder meer Two Weeks In Spain, en bekijk het Franse landschap. Mijn reisgenote doet me enigszins denken aan Simone Signoret in haar beste rollen. Ze vindt Portugal het mooiste land van Europa, hoewel ze aan Frankrijk veel te danken heeft en veel van haar vrienden daar wonen. Ze vertelt me over Portugese stierengevechten, een dans tussen stier en mens waarbij het even ongebruikelijk is dat de stier pijn heeft als de torero, en waarbij het al helemaal niet de bedoeling is dat de stier sterft. Tegen de avond tonen we elkaar onze voorraden, gooien het op één grote berg en delen het eerlijk samen. Zij heeft één van haar koffers gevuld met alleen eten en drinken. Wat een verwennerij.
     Het is al donker als we de grensplaats Irún bereiken in Spaans Baskenland. Mij wordt verteld dat de treinwagons worden omgezet op andere onderstellen, in verband met de in Spanje afwijkende spoorbreedte (een rare herinnering; krijgen we niet gewoon Spaanse treinstellen?). Het zal wel even gaan duren, en ik zoek een café op. Het station ligt te ver van de stad. Bier ja, in het Spaans. Baskisch lukt me nog niet zo. Ik kies de meest exotisch klinkende merknaam in de hoop dat het Baskisch bier is. Ik mag met Franse francs betalen, bijna twee keer zo duur als het Spaanse tarief.
     Het is een prachtig donkerbruin café, grotendeels van hout, met een toog zonder barkrukken, achter de bar grote spiegels, en in de ruimte kleine tafeltjes met hooguit twee, drie stoelen eromheen. Ik ben verbaasd. Waar zijn al die toeristen uit de trein heen? Hier zitten alleen Spanjaarden, zo te zien. Ik voel me John Wayne in een cantina in Mexico en leun nonchalant op de tapkast naast mijn pils. Het is hier flink vies. Mijn arm plakt aan de bar, en mijn schoenen aan de grond, maar John Wayne doet net of hij het niet merkt. Wel nemen ze me allemaal aandachtig op, met hun hand op hun holster. Ik zoek het affiche met mijn tekening erop.
     Als ik me weer omdraai naar mijn pils werp ik het met één fraaie slag op de grond. Er wordt wat besmuikt gelachen, ik stamel een verontschuldiging, en de barman haalt zijn schouders op. John Wayne sluipt stilletjes de cantina uit en neemt plaats op het perron. Niet overmoedig worden, meer dan duizend kilometer van huis. Blijkbaar vinden de goden het niet goed als ik meteen aan het bier ga.
     De omstandigheden in de trein zijn flink verslechterd. De coupé is vol toeristen en de gesprekken zijn weinig inspirerend. Ik rol me op tussen het raam en mijn rugleuning en val door de hitte, de stank en het gesnurk moeizaam in slaap.
     Ik word wakker door een stevige por in mijn zij. De zon is op.
     "Voulez vous petit déjeuner?" vraagt een stem in de verte.
     "Huh? Hoe? Laat me slapen!"
     "Hey man!" roept iemand naast me boos. "You speak English? It's for you! Want breakfast?"
     "Sorry... What? Who?" Pas nu realiseer ik me waar ik ben. Op de vloer tussen twee stoelen in een voortrazende trein, met naast me een zeer geïrriteerde Amerikaan en boven me het lachende gezicht van een Portugese moeke. Oh ja. Zij weer. Natuurlijk, we hebben gisteren nog vóór Irún onze reserveringen met elkaar vergeleken. Petit déjeuner...? Tjonge.
     Ik graai mijn sigaretten mee en klim over mijn reisgenoten heen de coupé uit. Half slapend en ten volle genietend van de eerste trekjes van mijn sigaret volg ik haar door de wagons naar de restauratie. Het landschap buiten is dor en droog. De zon staat laag, maar brandt al fel. We rijden ergens in de uitgestrekte woestijn in Castilië, pak 'm beet tussen Valladolid en Salamanca. Dit is de tweede woestijn die ik in mijn leven zie, na de Sahara in Egypte, maar ze zijn zeer verschillend en de indruk die beide achterlaten is onvergetelijk.
     We nemen tegenover elkaar plaats aan een tafeltje met een schemerlampje bij het raam. Zodra ik de kaart zie, maak ik haar duidelijk dat ik geen Spaans geld heb. Ze wil me graag trakteren. Dat komt goed uit: ik laat me graag trakteren. Grapefruitsap, broodjes en veel sterke, hete koffie. Lekker zeg. Heel veel beter dan vliegtuigeten (maar dit is denk ik pas een uur of twee geleden bij het laatste station de trein op gekomen en dus nog vers).
     Ik ga niet meer terug naar mijn coupé. Laat ze eerst maar eens ophouden met dat gemeur. Heel langzaam wordt de trein wakker en gaan de reizigers zich een voor een wassen. Het is al bijna middag als we het station van Lissabon binnenrijden.
     Heel even sta ik buiten om de hitte te ondergaan, maar daarna eerst maar eens geld, kaart, vers brood en fruit en dat soort dingen. Tot de tanden bewapend, een volle rugzak om de schouders, loop ik de stad in, naar het centrum. Meteen is me duidelijk dat Lissabon prachtig is, meteen ben ik gek op het weer, en meteen merk ik behulpzame, sympathieke mensen met zeeën van tijd. Ik sta nog niet in het centrum of ik word al aangeklampt met de vraag of ik wiet wil. Wiet? Ik geloof hem niet eens (dat wil zeggen: ik vermoed dat de kans dat hij een stille is of hooi verkoopt erg groot is). Ik heb er geen moment over gedacht om zelf iets mee te nemen, nog niet over de Belgische grens. Sigaretten is al heel wat.


Lissabon

Lissabon.


De camping is enorm. Bij binnenkomst krijg ik onder meer een uitvouwbare plattegrond van het hele terrein mee. Ik vind het een vervelend idee dat ik mijn paspoort moet inleveren. Ik vind een plekje bij een boom met op het eerste gezicht weinig gezinnetjes. Maar de caravans en bungalowtenten zijn op de camping in de meerderheid.
     De eerste ochtend twijfel ik lang of ik mijn tent, donzen slaapzak en nieuwe rugzak wel achter durf te laten. Ik ben sterk. Ik neem ze gewoon mee en laat alleen de lege tent achter. Een dag lang loop ik te zeulen met het ding en leg vele kilometers af, badend in het zweet. De volgende dag leg ik de rugzak voor ik vertrek in de slaapzak en controleer of het er inderdaad uitziet of er iemand ligt te slapen.
     Ik ben onmiddellijk verliefd op de stad. De mensen leven buiten, op straat, lopen wat te keuvelen, zitten lootjes voor de lotto te verkopen, genieten van het weer op een bankje onder een boom. Opvallend veel mannen hebben hun colbert los over hun schouders hangen, hun armen niet in de mouwen. En inderdaad, iedereen spreekt Frans en vrijwel iedereen is onmiddellijk behulpzaam. Wel vallen me ook de bedelaars op, vier blijf ik regelmatig tegenkomen, een dodelijk vermoeide moeder met drie kinderen. Mensen vertellen me dat er helemaal niet zoveel bedelaars meer zijn. Nee, dan had ik hier vijf of tien jaar geleden moeten zijn! Ik zie ook nog vrij veel armoede, vervallen huizen, wegdek, bussen. Maar twee jaar geleden nog maar was ik in Egypte, en daarmee is het onvergelijkbaar. De socialist Mário Soares is sinds enkele maanden president van Portugal, en het land is evenals Spanje nog maar sinds het begin van dit jaar volwaardig lid van de Europese Gemeenschap. Iets meer dan tien jaar geleden waren zowel Portugal als Spanje nog dictaturen.


steile straat in Lissabon

Steile trap-straat in Lissabon.


Alfama is het oude centrum, zoals de door de Moren in de zevende, achtste eeuw gebouwde stad er ongeveer uit kan hebben gezien, een totale wirwar van trappen, gangen, steegjes, pleintjes en overal bakken met bloemen aan de kozijnen. Overal groen op de pleintjes. De trappen zijn soms meer dan 45 graden steil, en soms zijn de treden erg smal, of schuin afgesleten. Op enkele plekken zijn kabelbaantjes tussen de huizen aangelegd om voetgangers tegen de berg op te brengen (en weer naar beneden). Verdwalen is inderdaad onmogelijk te vermijden. Er zijn maar een paar straten groot genoeg om op de kaart aan te geven, en met het hoogteverschil houdt die kaart ook maar moeizaam rekening. Ik heb het gevoel of ik de wereld aan het ontdekken ben (niet zo gek in deze stad). Betcha thought we couldn't do it.
     Een giromaat is nog niet uitgevonden. Ik ben op reis met een pasje en cheques (en een hoeveelheid contant noodgeld in briefjes van honderd gulden), en zoek dus een postkantoor. Om de een of andere reden is het vrij ver uit het stadscentrum. En ik moet er vroeg zijn, want tussen pak 'm beet elf en drie is ie dicht. Het is een groot gebouw, en het duurt inderdaad een halve ochtend. Gelukkig mag je roken in het postkantoor. Een Nederlandse meid vertelt me hoe het allemaal werkt. Ik ben verrukt over de rust en kalmte en die sluiting 's middags; zij vindt het alleen maar lastig. Op de achterkant van mijn cheques moet ik het adres van de camping schrijven, en ergens in een hoekje neemt de meneer achter het loket mijn paspoortnummer over. Terwijl mijn geld wordt uitgeteld, hoop ik dat de Postbank 'm nog zal herkennen als cheque (het zal vele weken duren voordat het bedrag wordt afgeschreven).
     Ik verlaat het drukke stadscentrum, op zoek naar een eetgelegenheid. In een smal straatje vlak buiten het centrum vind ik een mooi, klein restaurantje, waar ik alleen Portugezen zie zitten. Alles helwit verlicht, en versierd met plastic druiventrossen aan het plafond en langs de scheidingswanden tussen de tafeltjes. Het is niet druk, maar het is ook nog maar een uur of zeven. Rare noorderlingen die zo vroeg al komen eten. De meeste mensen zijn aan de wijn of port, hooguit met wat salade of brood. Ik maak er een flinke maaltijd van. Er is een volslagen briljante salade, met vis, fruit en olie, olie, olie. In verband met die olie ligt de salade al op een diep soepbord, maar de extra fles olijfolie gaat desondanks bijna half op. Ik bedank ze hartelijk en geef een flinke fooi. Tegen de tijd dat ik ben uitgegeten, wordt het langzaam druk in het restaurant. Pas laat op de avond keer ik terug naar de camping.


mijn tent in Lissabon

Mijn (enkeldaks) tent op de camping in Lissabon.


zicht op de Taag

Zicht op de Taag.


Vlak buiten Alfama, en ook boven Alfama, zit ik in een prachtig park te genieten van het groen en het wijdse uitzicht over de stad en de zee. Als ik weer verder loop, passeer ik een meneer en we groeten elkaar in het voorbijgaan. Even daarna tikt hij me op mijn schouder en zegt iets in het Portugees.
     "Nou nee. Parlez vous Franšais?" Nee dus. "Hm. Deutsch dan?" Ook niet. "Oh. English?" Maar nauwelijks. Hij doet erg zijn best om me iets te vragen, en uiteindelijk wenkt hij me met zich mee.
     Ik loop achter hem aan, doorheen de smalle straatjes van Alfama, over trapjes en pleintjes, en hij nodigt me een huis in, zes traptreden beneden straatniveau. Alle deuren en ramen staan wijd open, en het huis is volkomen verduisterd. Het duurt even voor mijn ogen eraan zijn gewend.
     Ik sta in een kale huiskamer, omgeven door drie, vier kinderen. De oudste, een leuke meid, vraagt me in gebrekkig Frans wat ik wilde vragen.
     "Vragen? Ik?" Ik fladder maar wat rond. "Nee hoor, hij schoot mij aan." Wat een mooie meid.
     "Nee hoor, u schoot mij aan!"
     Hm. De conversatie stokt. Ze begrijpt mijn Frans niet en spreekt verder alleen Portugees. Jammer. Ik neem weer afscheid van ze en vervolg mijn weg.
     Ik loop grote afstanden, tot in de villawijk en op een dag ook tot buiten de buitenwijk. Ik slenter kilometers langs de oever van de Taag, de monding waarvan tegelijk een inham is van de oceaan (Mar da Palha), en ik geniet van de grote vrachtschepen. De terrasjes in het centrum zijn heerlijk en erg goedkoop, de pleinen en parken zijn prachtig. Na de zware aardbeving van 1755, waarbij een derde deel van de stad werd verwoest waaronder het gehele centrum, is Lissabon 'er nooit meer bovenop gekomen.' Het merendeel van de stad is achttiende-eeuws of later.
     Ik bezoek het klooster, dat in het echt veel meer indrukwekkend is dan de kaart doet vermoeden. Slechts een enkele afstand (waaronder die tussen stad en camping) doe ik met de bus, maar verder probeer ik alles te lopen. Op een dag wandel ik in Belém, en omdat het me niet lukt om door te steken naar Alfama, besluit ik de Taag te volgen, terug naar het centrum. Ik ben verder uit de stad dan ik dacht. Als ik de hoek om loop moet ik de rivier te zien krijgen. Het klopt. En aan de kade zie ik in de verte, midden voor mijn snufferd aan het eind van deze rechte straat, een toren staan. Of een heel kasteel. Het is voor het eerst dat ik de Toren van Belém zie. Hoe dichterbij ik kom, des te stiller ik word. Wat een vondst. Busladingen toeristen worden af- en aangevoerd voor de rondleidingen.


toren van Belém

De Toren van Belém.


Na een aantal dagen weet ik wel zo ongeveer hoe die bus rijdt. Ik kan alles aan, en om dat te bewijzen besluit ik te proberen die busreis te vermijden. Het is misschien maar tien kilometer, maar de bus doet er, met steile hellingen, haltes en omwegen, meer dan een half uur over. Vooraf overweeg ik alle mogelijke moeilijkheden zorgvuldig. Ik neem deze dag mijn rugzak mee. Ik weet dat ik me niet halverwege kan bedenken; na de buitenwijken zijn er geen bushaltes meer. Als ik het doe, moet ik het hele eind, maar dat maakt het alleen maar meer aantrekkelijk. Er op uit! Avontuur! Gezien het terrein trek ik er een halve middag en avond voor uit.
     Ik heb me niet vergist. Het is prachtig. Wat een mooi land. Juist op dat moment zie ik vanuit de verte een berg afval liggen, maar eenmaal dichterbij gekomen blijkt de vuilnisbelt een kleine woonwijk te zijn. Er staan krotten waar mensen wonen en kinderen spelen. Niet zo triest als in Caïro, maar toch derde wereld. Ik realiseer me dat de gebaande paden dergelijke indrukken vermijden. Ik loop door.
     Voor me doemt de moeilijkheid op die ik niet had meegenomen in mijn berekeningen. Het is voor voetgangers niet mogelijk om de betonnen brug over het ravijn te gebruiken. Brommers, auto's en vrachtwagens razen over een tweebaansweg, geen fietsen, geen voetgangers, geen stoep, geen vluchtstrook zelfs. Heel even overweeg ik het, maar het gaat te ver om daar te balanceren. Het is een fors ravijn.
     Ik loop naar links, de diepte langs. De grond is droog en rotsachtig en schuift onder mijn voeten weg. Na een tijdje vind ik een plek die misschien geschikt is. Niet zo steil, iets stevigere grond en voldoende struiken om je aan vast te grijpen. Ik rook nog een sigaret. Dan doe ik mijn jas uit en bind hem om mijn middel, sjor mijn rugzak vast, en begin aan de afdaling.
     Het is nog veel verder dan ik had geschat; op de helft moet ik bij een struik een pauze houden. Ik steek een sigaret op en kijk over mijn schouder omhoog. In de verste verte is niemand te bekennen, behalve het ver boven me voortrazende snelverkeer. Niemand zal me horen schreeuwen. Als ik val lig ik hier weken.
     Beneden in het ravijn is het prachtig. Je hoort de snelweg haast niet. Het beekje ligt bijna helemaal droog. De begroeiing is er dicht. Ik struikel voort, op zoek naar een weg omhoog. Ik keur er één af in de schaduw van de brug. Klimmen hoeft niet moeilijker te zijn dan dalen. Fietsend is het zelfs andersom. Nog een laatste check, geld, sigaretten, aansteker, voort dan.
     Op zondag blijf ik op de camping en trek mijn plan. Ik doe de was, en bezoek het zwembad. Als ik in de loop van de avond lui voor mijn tent lig, nodigt mijn Portugese buurmeisje me uit. Ze kookt een maaltijd buiten de tent, en haar zwijgzame vriendje zit binnen. Ik rook haar sigaretten en zij de mijne. Hij rookt niet, alleen wiet zegt ie. Oh ja, makkelijk genoeg te krijgen hier, maar op straat in Lissabon moet je het nooit kopen. Dat is gras of oregano of zo.
     Mijn laatste dagen in Lissabon gebruik ik om met volle teugen te genieten van Alfama. Op dinsdagavond kruip ik voor de laatste keer mijn tentje in. Dit is geen land om een weekje op vakantie te zijn, dit is een land om tenminste drie jaar te blijven wonen, de stad alleen al. Ik neem afscheid met een weemoedig gevoel, slechts onderdrukt door het enerverende vooruitzicht van de terugreis. Wat een lieve mensen.

Huiswaarts

Mijn Interrail is nog zeven dagen geldig, en er is nog net voldoende geld over op voorwaarde dat de overnachtingen niet duurder uitvallen dan deze camping. Ik besluit dus tot een extra lange thuisreis, met louter nachttreinen om de kosten en moeite van overnachtingen uit te sparen. Al sinds een aantal dagen heb ik geld achtergehouden om de camping te kunnen betalen. Aan de hand van de prijslijst bereken ik het tarief, maar ik ben de toeslag vergeten. Als ik aan de beurt ben, kom ik tekort. Shit. Eerst noodgeld omwisselen. Met veel te veel Portugees geld in mijn portemonnee verlaat ik het land, met de trein naar Madrid op woensdagavond 6 augustus.
     De Spaanse douane ziet er dreigend uit en komt na een routinecontrole de trein op met honden. Alle koffers, rugzakken, zitplaatsen en reizigers worden uitgebreid besnuffeld. Ze doorzoeken niets, blijkbaar meer geïnteresseerd in hoe mensen ruiken dan in wat ze bij zich hebben.
     Ik arriveer om negen uur de volgende ochtend op Madrid Chamartin. Na het omwisselen van mijn escudo's voor peseta's is een kaart van de stad de eerste vereiste. Is er niet? Bij de boekwinkel? Ja, dat dankt u de koekoek! Ik zal toch vóór vanavond het andere treinstation moeten vinden. Wel. Ik baan mezelf een route naar het centrum met behulp van de borden langs de autoweg. Daar zal dan toch wel een bordje staan? Rechte wegen, hoge huizen en een drukkende, droge hitte. Ja, de stad ligt feitelijk middenin de woestijn, de enige woestijn in Europa. Ik koop bij een kiosk op straat Winston sigaretten vanwege Howard Hughes in blue suede shoes. Al uren gelopen en nog geen park gezien. Ik ben wel dichtbij het centrum.
     Ik plof neer op mijn rugzak op de stoep voor de neergelaten rolluiken van een bank, en al snel voegen zich twee ik meen Walen of Luxemburgers bij me, een jongen en een meisje. Zij hebben een kaart van de stad gekocht! Ik prent de route naar mijn station in mijn kop. Het stratenpatroon is grotendeels rechthoekig. Wat een end lopen. Daarna vind ik een grote hoeveelheid mooie parkjes, en speel er met katten.
     Het station is opvallend ruim en modern. Er zijn borden met daarop de vertrektijden zoals ik nooit eerder op een treinstation zag, en die me aan een vliegveld doen denken. Ik verlaat Madrid laat 's avonds en kom vroeg 's ochtends aan in Barcelona waar ik me niets van herinner. Ja, vaag de Ramblas en de Sagrada Familia.
     Mijn trein naar Genève vertrekt om acht uur 's avonds, en legt een prachtige route af, zo nu en dan vlak langs de Middellandse-Zee-kust, de Golf van Lion, en vlak langs diverse meren. Ik denk aan De Zaak Zonnebloem van Kuifje. In de loop van de nacht stap ik over op het vrijwel verlaten station van Narbonne. Er zijn gescheiden wachtruimtes voor reizigers eerste en tweede klasse. As they're closing it down, I'm gonna open it up. In afwachting van mijn trein ben ik in een onbeschrijflijke, bijzondere stemming.
     In de loop van de ochtend word ik in de trein wakker gemaakt door de douane. We rijden Zwitserland binnen. Andermaal krijg ik een fraai uitzicht, wanneer we langs het meer van Genève naar de stad rijden. De trein rijdt om een uur of twaalf in de middag het station binnen. Het is zaterdag 9 augustus. Ik zie er tegenop om mijn peseta's nu weer om te zetten in nieuwe valuta, Zwitserse francs, maar ik moet brood kopen. Morgen is het bovendien zondag. Ik ben opgelucht als blijkt dat de transactie verloopt zonder dat ik commissie hoef te betalen, en mij wordt verteld dat dat specifiek voor Zwitserland geldt. In elk geval een mooie binnenkomer.


Genève

Genève.


Ook Genève vind ik erg mooi. Een beetje te schoon en veel te strak geregeld allemaal, maar een mooie stad met prachtige onvermoede bouwwerken en hofjes. Ik loop vooral in het stadscentrum en langs de oevers van het meer, en aan het eind van de dag zit ik een tijd in een park bij een vijver met fontein. Om kwart voor middernacht vertrekt mijn trein via Lausanne naar Venetië. Daar is het eigenlijk allemaal om begonnen, vanaf mijn vertrek uit Lissabon.
     De stoel is heerlijk en ik heb mijn slaap hard nodig. Ik herinner me weinig totdat een conducteur me wakker maakt en ik nog maar met één ander in de coupé zit. Het is allang ochtend, acht uur. Venetië ligt al meer dan een uur achter ons. Gelukkig stopt de trein na een kwartiertje al, en ik stap uit. Ook de trein terug gaat vrijwel meteen. Ik wacht op een oud stationnetje van hout, bij een klein dorpje in een omgeving met druiven of olijfbomen, in het gezelschap van drie, niet eens oudere nonnen in vol tenue. Zondagochtend op het Italiaanse platteland. Ik denk aan scènes uit films van Fellini. Zodra de trein is verdwenen, zingen de vogels uit volle borst tot de volgende trein het stationnetje binnenrijdt.
     Het is nog steeds voor tienen als de trein over de kilometers lange verbinding naar de stad rijdt, aan beide zijden omgeven door de lagune. De aankomst op het station is al even onvergetelijk. Een zondag in Venetië. Alle winkels zijn gesloten. En na een aantal uur valt me op: wat een hoop toeristen. Ik doe er dan ook uren over om het San Marco-plein te bereiken. Ik eet wat op een bankje bij het park naast het plein, en koop er een mooie kaart van de stad. Dan op onderzoek!


Venetië

Venetië.


De stad is prettig klein; in die ene dag zie ik zo'n beetje de hele stad, la Giudecca en Lido uitgezonderd. Zolang ik bij het Canal Grande weg blijf, ontloop ik ook die toeristen. Ik denk aan de film Death in Venice (ik heb het boek niet gelezen). Het woord 'stad' dekt de lading van het fenomeen Venetië maar nauwelijks. Het is meer, het is anders. Er zijn overal de meest wonderbaarlijke, eeuwenoude pleintjes met soms een boom en altijd bloembakken, straten die doodlopen of doodlopen op waterwegen, mooie kades langs de grachten en weinig parken. Er zijn veel katten, geen straatkatten maar voor een groot deel huiskatten. Ik zie vanaf de kade uit op wat de begraafplaats blijkt te zijn, het eiland San Michele. Ik vind er geen geschikte mogelijkheid om het sop te kiezen.


Venetië

Venetië.


De volgende stad kies ik uit op de verwachte aankomsttijd. Ik heb nog steeds veel slaap nodig, en ik voel de vele uren lopen in Venetië in mijn benen. 's Avonds vertrek ik naar Wenen. In mijn coupé zitten (ik weet niet zeker of dat wel in deze trein is) onder anderen twee Finse meisjes. Het is voor het eerst dat ik Finnen ontmoet en voor het eerst dat ik hoor dat het Engelse woord voor Fins "Finnish" is. Als ik 's ochtends wakker word, zegt de mooiste van de twee, die tegenover me zit, dat ik in mijn slaap met mijn hand haar enkel heb vastgegrepen en niet meer wilde loslaten. Volgens mij word ik in de zeik genomen.
     In Wenen eerst naar de plaatselijke VVV, een gewoonte inmiddels, en daarna naar het loket van het stadsvervoer voor een tramkaartje. Hij lacht me vriendelijk toe.
     "Ach, welnee zeg. Gewoon instappen hoor! Er wordt niet gecontroleerd." Rare boel hier. Er wordt inderdaad niet gecontroleerd. Da's ook een manier om openbaar vervoer gratis te maken; zwart rijden gedogen (of zoals hier zelfs aanmoedigen).
     Ik loop maar heel eventjes door de stad en heb het al snel gezien. Wat een poeha. Ik keer op mijn schreden terug naar het station en neem de eerste trein weg hier. Ik had gedacht dat het een mooie stad zou zijn. Dat zeggen 'ze' toch?
     Via Salzburg arriveer ik rond half drie 's middags in München. Da's beter. Dat had ik niet gedacht. Wat mooi, ruim en groen. Mooie gebouwen, en ook vriendelijke mensen, hoewel totaal anders dan Portugal. Ik had met luidruchtige, volkse Beierse lui in patserige Mercedessen rekening gehouden. Wat een vooroordelen. Het weer in München is ondertussen nog altijd heerlijk. Ik kan me de afgelopen twee weken geen regen herinneren. Ik geniet tot in de avond van een prachtig groen, ruim park met veel eenden en andere vogels. Het is in oppervlakte en aantal sporen het grootste treinstation dat ik ooit zag, een hele wandeling naar het juiste perron.
     Ik neem de trein van negen uur 's avonds naar Parijs, en kom om kwart voor zeven op dinsdagochtend aan op Paris Est. Het is de grootste van de steden die ik deze week zie (Londen is groter). Ik beloop het hele centrum en wandel veel langs de Seine, denkend aan De Sterrenplukkers zoals Venetië me aan De Tartaarse Helm deed denken. Ja, het is een mooie stad, dat valt niet te ontkennen. Maar de hoeveelheid maren die daarop volgen is zo overweldigend, ook over de poeha, de prijzen, de kitsch, de kritiekloze naäpers, de arrogantie van de inwoners, och. Ik loop met de walkman op. Martha & the Muffins zingen One Day In Paris.
     's Avonds neem ik de trein via Roosendaal en Den Haag naar Utrecht, waar ik om kwart voor acht op woensdagochtend 13 augustus arriveer. Ik denk er nog over om deze dag, de laatste dat mijn Interrail geldig is, naar Amsterdam of zo te gaan, maar het komt er niet van.

Utrecht, dinsdag 4 tot donderdag 6 juni 2002


naar het begin van de bladzijde