home
Home

 

persoonlijk
Persoonlijk

 

muziek
Muziek

 

geofictie
Geofictie

 

Muka
Muka

 

verhalen
Verhalen

 

foto's
Foto's

 

colofon
Colofon

English (Engels)Egypte 1984


Een inventaris van herinneringen die er negentien jaar nadien nog van over zijn, en met nadruk niet een reconstructie. Veel indrukken blijven onbeschrijflijk.

De reis

Vorig jaar overleed mijn moeder, en fietsten we de zomer daarop met z'n drieën twee weken in Frankrijk. Mijn vijfeneenhalf jaar oudere zus Anna gaat dit jaar op vakantie met haar nieuwe vriend Harm. Ik ben vijftien en ga over enkele maanden over naar de vierde klas van de middelbare school. Ik zit aan de keukentafel als mijn vader Bart binnenkomt.
     Hij is eenenvijftig en is als dierenarts verbonden aan een station voor kunstmatige inseminatie van runderen. Hij vertelt me dat hij deze zomer weer een week naar Egypte zal gaan, om er in Caïro inseminatoren op te leiden bij het plaatselijke K.I.-station voor runderen. Voor zijn werk bezoekt hij meerdere malen per jaar landen buiten Europa, veelal in Azië en Afrika, en hij zegt dat ik deze keer met hem mee mag. Na de eerste week werk zullen we er nog een tweede week vakantie houden. Ik ben enthousiast.
     Oom Hendrik, vroeger een kennis van mijn moeder, is ook enthousiast. Hij vertelt me dat hijzelf net terug is uit Caïro en dat er een hittegolf heerst, voor Egyptische begrippen dan, met temperaturen van rond de 45 °C. De laatste dagen voorafgaand aan ons vertrek zakt de temperatuur er weer naar een meer normale 40 °C. Het is 1984, het zal wel juli zijn geweest.
     Het is de tweede keer in mijn leven dat ik in een vliegtuig zit (de eerste was acht jaar eerder, naar Nice), een directe lijnverbinding. Ik zit natuurlijk bij het raampje en drink het uitzicht in. Ik vermaak me met de lectuur en de diverse muziekzenders op mijn koptelefoon. Als we de Middellandse Zee achter ons hebben gelaten, cirkelen we lang boven vliegveld Heliopolis in afwachting van toestemming om te landen. Ik krijg een prachtig overzicht van het vliegveld, en in de verte aan de ene kant de stad en aan de andere kant de woestijn. Het is de dertiende keer dat Bart Egypte bezoekt, en hij kenschetst het land liefdevol niet alleen als 'de vuilnisbelt van de wereld' maar ook als het land met de meest gastvrije inwoners die hij kent.
     De deur van het vliegtuig is nog maar net open of de hitte overvalt me tegelijk met een penetrante, zware en zoete geur. Egypte.

De eerste week

Er is niet, zoals op Schiphol, een slurf die het vliegtuig met het vliegveld verbindt, maar naast de vliegtuigdeur staat een trap op wieltjes, zoals ik alleen uit oude foto's en films ken. Wat is zo'n vliegtuig groot. Langs de wielen, over het beton van het vliegveld, lopen we naar een autobus die middenop het terrein staat te wachten. Wat een hitte. Wat een lucht. De geur en de warmte zijn allesoverheersend en zeer karakteristiek.
     Alle ramen, deuren en daken staan open, maar het duurt lang voor de bus vol genoeg is om te gaan rijden. We hoeven alleen naar de ontvangsthal, vijf of tien minuutjes verderop. We passeren de douane, en daarna een bank waar Bart niet naar binnen gaat. Hij neemt me mee naar de parkeerplaats, waar het wemelt van de op het eerste gezicht buitengewoon onbetrouwbare types. Bart laat zich aanspreken en wisselt een stapeltje dollars voor een forse stapel Egyptische ponden. Tegen een wisselkoers die meer dan tien keer zo voordelig is als bij de bank. Hij is hier namens de Nederlandse overheid (het ministerie van buitenlandse zaken, landbouw of ontwikkelingssamenwerking), die dergelijke wisselpraktijken niet kan goedkeuren maar ook niet afkeurt. Het geld is bijzonder smoezelig. Op sommige biljetten is het bedrag nog maar nauwelijks leesbaar, en er zit ook een flinke hoeveelheid plakband omheen, om alle snippertjes bijeen te houden. Maar het is wettig betaalmiddel (hoewel alleen binnen de grenzen van dit land).
     De geur en de hitte blijven in deze eerste momenten de meest opvallende indruk, maar ook de drukte op straat, de viezigheid en de bedelaars behoren tot de eerste indrukken. De grootste steden die ik tot nu toe in mijn leven heb gezien, zijn denk ik Brussel, Amsterdam en Rotterdam. Het eerste wat Bart doet is sigaretten kopen, meerdere sloffen Cleopatra's met filter. Het is voor het eerst dat ik hem filtersigaretten zie roken. Ik denk dat we meteen nu al de Lada Niva krijgen en daarmee naar het hotel rijden.
     Het heet Mövenpick, een Zwitserse keten van luxueuze, westerse hotels, en staat in Gizeh, op de westelijke oever van de Nijl. Er is een gedeelte hoogbouw waarin op de begane grond de lobby, het café en het restaurant, en de rest bestaat uit verspreide laagbouw. Bart en ik delen een van de bungalows samen. Op zowel zijn als mijn slaapkamer staat een grote kleurentelevisie. Vanaf de voorkant van het hotel zijn in de verte de toppen van de piramiden te zien die boven de palmbomen uittorenen. "Merkwaardig," zegt Bart tussen neus en lippen door, "een hotelketen met de naam Meeuwenlul."


Caïro

Caïro in 2003. Alle foto's op deze bladzijde zijn afkomstig van Wikimedia Commons.


Hij demonstreert me de kraanwatervoorziening in dit land door een glas water op de wasbak te zetten. Het ziet er vervaarlijk troebel uit en na minder dan een minuut heeft zich een bruine drab als bezinksel op de bodem gevormd, die bijna het halve glas vult. Daarboven drijft het min of meer doorzichtige water. We kopen dagelijks vele flessen mineraalwater, ik meen van twee liter, en drinken overal waar we komen hete, zoete en zeer sterke thee uit kleine glaasjes. We douchen elke dag wel drie keer, zonder ons te schamen over de waterverspilling. Het zand blijft overal aan plakken.
     De grens tussen stad en woestijn is fascinerend scherp. Gizeh ligt tegen de woestijn aan, eigenlijk al in het zand. Het is een rijke, internationale wijk, en daardoor de enige wijk waar men dagelijks, elke ochtend opnieuw, straatvegers het woestijnzand van de trottoirs en straten laat vegen (zodat het zeker een uur lang inderdaad weg is). Gizeh is tevens de wijk in Caïro met het meest westerse uitgaansleven, waaronder disco's en nachtclubs. Alcohol is verkrijgbaar, in sommige gelegenheden beter dan in andere, en varkensvlees ook, maar wel schaars en dan doorlopend voorzien van een knorrig bordje met Arabische tekens en daaronder: "Pork!"
     Opvallend in Caïro is het immense aantal bedelaars. Het is de grootste stad van Afrika, tevens de grootste stad van de Arabische wereld, maar er bestaat geen vuilnisophaaldienst. Dat wil zeggen: vuilnis wordt in de praktijk door bedelaars "opgehaald." Overal op straat liggen bergen troep die zichtbaar meerdere malen zijn doorzocht, overal op straat rijden aftandse, houten karretjes, getrokken door de eigenaar zelf of een ezeltje, afgeladen met troep. Buiten de stad zijn vuilnisbergen waar honderdduizenden mensen permanent wonen. De stank is overal.
     De stad is immens. In formaat, zowel wat aantal mensen als wat oppervlakte betreft, maar ook in drukte. Wetten zijn woorden die de (nooit verkozen) leider in de regeringsgebouwen moge opschrijven, maar de samenleving wordt gevormd door in de praktijk ontstane regels. Toch heeft ergens iemand in het kader ooit een beslissing genomen die uiteindelijk tot de onderste publieke niveaus heeft weten door te dringen. Men is bezig een metronet aan te leggen in Caïro (het zal drie jaar later gereed komen), waardoor vele kruispunten open liggen, het verkeer een absolute chaos is en de drukte wordt gekwadrateerd.
     De wegen zijn slecht onderhouden. Er zitten gaten in, soms over de halve breedte van de weg, soms groot genoeg om een complete auto in te doen verdwijnen. De meeste gaten die voor de metro worden gegraven, zijn omgeven met hekken (niet zelden gemaakt van restmateriaal), maar dat geldt voor geen van de andere, nog veel talrijkere gaten. Het rioolsysteem vertoont grote mankementen door grote plassen water rond de ingangen van de putten op straat te laten staan. Het heeft in maanden niet geregend. Er zijn verschillende plaatsen waar voetgangers gedwongen zijn tussen het verkeer door de straat over te slalommen.
     Het verkeer is er een hel, en als het wel rijdt is het al niet veel beter. Iedereen toetert doorlopend, haalt afwisselend rechts en links in, en doet niets dan gas-rem, gas-rem, gas-rem achter elkaar door. Bart vertelt me de eerste dag dat we naar zijn werk rijden (dat wil zeggen: in de file staan die daarnaartoe leidt) een standaardgrap in Caïro, over een taxichauffeur die zijn raampje omlaag draait en een voetganger toeroept: "Taxi, Sir?" Het antwoord luidt: "No thanks, I'm in a hurry." Bij alle stoplichten wemelt het van de bedelaars. We laten de Lada vaak staan om lopend de stad in te gaan, of we rijden tot zover als we kunnen komen, en zetten de auto dan neer om verder te lopen. Ik herinner me niet met een bus of taxi te hebben gereisd. Ik kijk mijn ogen uit naar de auto's op straat, die voor negentig procent of meer van het merk Fiat zijn, of een assemblage daarvan uit welk deel van de wereld dan ook (Lada, FSO en nog vele andere). Er rijden nog opvallend oude auto's rond, zelfs uit de jaren vijftig en een enkel vooroorlogs brik, omdat ze dankzij het droge klimaat nauwelijks roesten. Bart vertelt me dat het Egyptische leger zo mogelijk nog interessanter is om te zien, eveneens met materieel uit alle landen en machtsblokken van deze wereld.


Verkeer in Caïro in 1991

Verkeer in Caïro in 1991.


Het K.I.-station waar Bart deze week werkt, ligt buiten de stad aan de weg naar Alexandrië, ruim in de woestijn. De stad uit te komen valt nog wel mee. Er staan nauwelijks files, maar ik ontmoet dagelijks militairen bij de roadblocks, niet alleen op deze weg. Officieel beschouwt Moebarak het land nog als in oorlog of onder noodtoestand. De ondertekening van de Camp David-accoorden tussen Egypte en Israël was vijf jaar geleden, de moord op Sadat nog geen drie jaar geleden, en pas twee jaar geleden is de Sinaï definitief ontruimd door Israëlische militairen. Dankzij de toenadering tot Israël is Egypte al sinds jaren politiek geïsoleerd in de Arabische wereld.
     Het is een tweebaansweg. Pas op de tweede dag (misschien nog wel later) zegt Bart me dat dit een vierbaansweg is. Huh? En jawel. De berm blijkt niets anders dan de woestijn die bezit heeft genomen van de twee buitenste rijbanen. We mogen al blij zijn dat deze twee binnenste banen nog berijdbaar zijn, slingerend om de enorme gaten in het wegdek heen. Charmant, hoewel enigszins onhandig. We slaan rechtsaf het terrein van een grote farm op.
     Op het kantoor van de farm maken we kennis met de baas van de afdeling kunstmatige inseminatie (A.I. in het Engels). Sammy is een kopt met een brede glimlach en is zelf één van de cursisten. De anderen zijn moslims, behalve Ismaël, een goedmoedige kopt met blonde krulletjes en een dikke, bruinhoornen bril. Er is één neger onder de studenten, Ibrahim, een verlegen en zwijgzame man (die volgens Bart de beste en meest leergierige is van allemaal). Ik hang wat rond op de uitgestrekte farm terwijl Bart er werkt. Er wordt doorlopend voor me gezorgd en ik drink er vele liters zoete thee uit tulpglaasjes. Op een dag help ik de koeien bijeen drijven en waan me een cowboy op een Amerikaanse ranch.
     Enkele dagen later worden we natuurlijk thuis genodigd bij Sammy. Hij is een jaar of veertig, getrouwd, en woont op een klein appartement in een buitenwijk van de oostelijke stad. We krijgen veel (zoete, hete, sterke) thee en vele gangen met lekkere hapjes die allemaal door een meisje van een jaar of zes de kamer binnen worden gedragen. Sammy is trots op zijn dochtertje en laat ondertussen foto's rond gaan, onder meer van zijn familie. "My wife," zegt hij ter verduidelijking bij één van de foto's. Oh ja, die vrouw die achter de muur drie meter verderop in het keukentje ons eten en drinken klaar staat te maken. We nemen afscheid zonder haar te hebben ontmoet.
     Het is al diep in de nacht als we terugrijden over de enorme zes- of achtbaans snelwegen die sinds kort dwars over de stad zijn aangelegd. Er staat geen file, zo 's nachts, maar rustig valt het ook niet te noemen. Ik herinner me op de achterbank te zitten (werden we misschien door Sammy thuisgebracht of was het toch in de Lada?) en te vechten tegen de slaap. Caïro slaapt nooit. Over luttele uren zal de moskee alweer oproepen tot het eerste ochtendgebed. Sammy heeft ons verteld dat hij het als kopt niet makkelijk heeft in dit land, maar enkele dagen later zal de sympathieke Ismaël dat bagatelliseren. Hij merkt de vernederingen wel, maar er is geen sprake van systematisch geweld tegen kopten. Sammy heeft de neiging te dramatiseren.
     Op een dag bezoeken we een kippenfarm. Misschien leidt Sammy ons rond, misschien is het wel iemand anders. Ik herinner me nog goed hoe de rondleider meteen bij binnenkomst een vers ei van de lopende band pakt, het kapot tikt en leegslurpt. We worden langs eindeloos lijkende rijen kippenhokjes geleid met daarin uitgemergelde kippen. Hun eieren worden achter de hokken op een lopende band weggevoerd. Het maakt me triest, ook toen al.


Caïro 's avonds in oktober 2004

Caïro 's avonds in oktober 2004 (foto door Przemyslaw Blueshade Idzkiewicz).


Terwijl ik dit schrijf, herinner ik me meer en meer. Was er niet twee weken werk en daarna twee weken vakantie? Tijdens het schrijven zingt niets dan Egypt door Kate Bush in mijn hoofd (ik kende het nummer toen nog niet).
     Op een avond besluiten we niet in het hotel te eten maar de stad in te gaan. Bart probeert ons bij de toeristencentra vandaan te houden. Ik vind de piramiden indrukwekkend maar ben het met hem eens dat ze in het niet vallen bij de rest van de stad, de mensen, de drukte, het vuil. Hij loodst me in een afgelegen hoek van de stad een neon-verlichte ruimte binnen waar we tussen louter Egyptenaren op plastic stoeltjes plaatsnemen aan een lange tafel die met een plasticen tafelkleed is gedekt. Na enkele minuten wachten komt iemand met borden met eten op ons af, en hoewel we nog niet besteld hebben, zet hij ze voor ons neer. Een berg macaroni. "Nee, bestellen kennen ze hier niet," merkt Bart op, die zich merkbaar thuis voelt. "Dit is de dagschotel, en de menukaart verandert pas als de voorraad op is." We lopen terug door Caïro in het donker.
     Ik voel me veiliger dan in pak 'm beet Rotterdam of Utrecht. Zonder angst stap ik op straat op Jan en Alleman af en word onveranderlijk begroet met een brede glimlach en zeeën van tijd en geduld. Op een straathoek tref ik een verkoper die een Donald Duck in het Arabisch heeft. Het ding kost welgeteld niets. Ik zoek de muntjes voor hem op. Hij ziet er arm, oud en vies uit. Er zitten dikke plakken vuil in zijn baard, zijn sandalen zijn tot op de zool afgesleten. Als ik hem heb betaald, wordt hij enthousiast en neemt me in zijn armen. Ik krijg een dikke knuffel en zoenen op beide wangen. In mijn herinnering zag ik zelfs een traan in zijn oog (die Donald Duck is lang geleden zoek geraakt).
     Een andere dag bezoeken we Chan El Chalili, het oudste deel van de stad, op de oostelijke Nijloever. Ik raak betoverd. Wat fenomenaal. Wat ontzettend mooi. Zo oud, zo druk, en zo klein, zo uitgestrekt. De bazaars in Istanbul, die ik pas acht jaar later voor het eerst te zien zal krijgen, zijn een flauw en klein en extreem verwesterd aftreksel hiervan. In tegenstelling tot die bazaars is Chan El Chalili nog steeds een woonwijk, een oude Middeleeuwse woonwijk, zij het dat elke inwoner ook winkelier is en dag en nacht, zo lijkt het, met zijn handelswaar op de stoep voor zijn voordeur zit (allemaal mannen ja).


Chan El Chalili

Chan El Chalili.


Eerder dan naar de piramiden (op loopafstand) rijdt Bart me naar de sloppenwijken op een van de vuilnisbelten. Ja, wat moet ik met die herinnering? Langs de krotten, hoopjes vuil waarvoor zelfs de benaming krot nog teveel is, stroomt een beekje met uitgesproken paars gekleurd water. In en rond het beekje spelen kinderen met de modder. Ik geloof pas dat iets een huis is als ik iemand naar binnen of buiten zie gaan. Wat een volslagen ramp is het grootste deel van onze wereld toch.
     Caïro is het belangrijkste feest- en uitgaanscentrum van de gehele Arabische wereld. Op een dag arriveert bij ons hotel een stoet Amerikaanse auto's. Uit de grootste ervan, een zesdeurs met geblindeerde ramen, stapt een man met zonnebril en een hoofddoek. "Een rijke Saoedische sjeik," weet Bart, "die in Caïro komt genieten van de vrouwen en vooral de alcohol." Hij wordt gevolgd door zeker tien van zijn vrouwen, allemaal gesluierd en van top tot teen in het zwart, die niets lijken te hoeven doen dan hem braaf volgen. We zien de sjeik nadien regelmatig in ons hotel. Hij heeft een grote, eigen tafel in het restaurant, altijd rijkelijk voorzien van eten en drank, en laat zich altijd vergezellen door tenminste enkele van zijn vrouwen.
     Op een dag krijgen we van iemand een rondleiding door Chan El Chalili, en na urenlang door het hele centrum geslenterd te hebben, stappen we een prachtig mooi café binnen. Onze gids zegt ons dat het het oudste café ter wereld is, meer dan duizend jaar oud en al die tijd een herberg danwel café geweest. Het pand is geheel van hout, van de planken op de vloer via de toog tot het plafond. We zijn er nog maar nauwelijks of er stapt een viezig mannetje op me af dat me vriendelijk vraagt of hij mijn schoenen mag poetsen. Ik kijk Bart aan, die opmerkt: "Doe maar. Je merkt vanzelf wat er gebeurt." Ik loop op dure, bruinleren schoenen van het prestigieuze merk Roots. Ik geloof niet dat ik ze zelf ooit heb gepoetst. Ik doe ze uit en geef ze mee. Ze zitten onder het aangekoekte woestijnzand, herinner ik me. Nog scherper herinner ik me de trots die van het gezicht van het vriendelijke mannetje afglom toen hij ze me, heel veel later, weer kwam brengen, onherkenbaar schoon.
     We verdwalen in de Lada Niva. Onmogelijk om iets anders te doen in deze stad. Bart heeft er ervaring mee. Hij stopt naast de stoep en laat me uitstappen. Ik loop op een willekeurige man af en probeer hem duidelijk te maken dat ik verdwaald ben, waarna hij me probeert duidelijk te maken waar ik ben. En alles gaat gepaard met een uitgebreid protocol van wederzijdse blijken van geduld en vertrouwen en langdurige begroetingen en afscheidsceremonies. Als het allemaal is voltooid en ik terug naar de Lada loop, word ik op mijn schouders getikt. Boos is hij niet, maar hoe kon ik nou toch denken dat ik, na afscheid te hebben genomen, weg zou kunnen gaan zonder zijn druiven aan te nemen. Er is geen protest mogelijk. Hij heeft een grote tros in zijn handen en geeft die aan mij. Zonder de druiven kom ik niet bij hem weg. Hij spreekt geen verstaanbare taal behalve glimlachen.
     Een andere keer zijn we verdwaald en is de uitleg simpel, hoewel de afstand groot. "Nee nee, werkelijk, het hoeft niet, het gaat zo wel." Ik leer het al. Het is niets meer dan een beleefdheidsformule, want ik weet allang dat deze meneer ons gaat helpen. Hij volgt me naar de auto en beduidt me achterin te stappen. Meer dan een uur rijden we met deze meneer op zijn aanwijzingen door de stad, vele kilometers, helemaal naar de andere kant van de bebouwing. Voor de deur van het hotel stapt hij doodgemoedereerd uit, en neemt zonder enige zorgen afscheid. "Ik tijd kwijt? Hoezo? Welnee! Ik? Ik kom wel weer thuis hoor! Mij bedanken? Nee hoor, u bedankt!"
     De impact die de Arabische, of islamitische samenleving op me maakt is sterk. Ik had tot nu toe alleen West-Europese landen bezocht (België, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Italië) en kende geen moslims in Nederland. De basis van de samenleving lijkt wederzijdse aandacht in plaats van profiteren van elkaar. Ja, ze zullen ook best van elkaar profiteren. Het maakt me weemoedig me te realiseren dat ik deze samenleving in zekere zin hoger acht dan die van mezelf en tegelijk dat ik er nooit toe zal kunnen behoren (ook niet door te emigreren en me te bekeren bijvoorbeeld). De gastvrijheid in dit land is overweldigend, tussen totale onbekenden, schijnbaar zonder acht te slaan op zaken als klasse, status of positie. Wel is meteen duidelijk dat mensenrechten niet eenzelfde uitleg krijgen voor mannen als voor vrouwen, wat ook opgaat voor homo's en politieke dissidenten (en kopten, joden, berbers, Soedanezen, Nubiërs). Het klimaat zou dan nog de enige reden zijn om te emigreren.
     Op een dag blijkt mijn van Bart gekregen zakgeld gejat. Ik heb het in mijn portemonnee laten zitten en die op mijn hotelkamer achtergelaten. Ze is leeg. Het zij zo (gastarbeiders in een westers hotel ja, misschien wel een half maandsalaris voor een moeder van vier kinderen). Ik herinner me dat Bart nadien iets betaalt wat ik nog graag wil hebben.
     Het werk van Bart zit er bijna op. Op de laatste dag houdt hij een schriftelijk examen, waarvoor hij een aantal meerkeuzevragen in het Engels heeft opgesteld. De tekst staat vol met vaktermen als "sperma," "vruchtbaarheid" en "uterus," en Bart vraagt de hotelmedewerker in de lobby om het verhaal voor de zekerheid te vertalen in het Arabisch. De studenten spreken wel Engels, maar lang niet allemaal even goed en Ibrahim zelfs helemaal niet. In de Arabische tekst die we uren later terugkrijgen heeft de vertaler alle woorden die hij of zij niet kende gewoon weggelaten, waardoor het zonder de Engelse vertaling ernaast nog steeds onleesbaar is.

De tweede week

De dodenstad is de eerste bezienswaardigheid die we bezoeken als het werk erop zit, in oppervlakte vergelijkbaar met de 'stad der levenden.' Er zijn graven uit de negende zowel als de negentiende eeuw, en op sommige plekken is de hoeveelheid grafstenen onafzienbaar tot de horizon. Ook hier wonen, tussen de graven in, vele duizenden van de meest arme mensen. Vuil en dood, maar ook veel keurig schoongemaakte graven, reusachtige tomben en fraaie minaretten. Ik herinner me het uitzicht vanuit de Citadel, die we blijkbaar hebben bezocht, over de dodenstad. We bezoeken ook een moskee, naar ik vermoed de enige keer in mijn leven. Ik meen dat het de oudste of grootste van Caïro of van heel Egypte was of zo, misschien was het wel de moskee in de Citadel. De kunstige, meanderende versieringen maken indruk.
     We rijden op een brede, drukke straat door Caïro als Bart me vertelt dat het de laatste jaren wel meevalt met die verkeersdrukte in de stad. Het is immers nog niet zo lang geleden dat de overheid verbood om nog langer karavanen met kamelen of schapen of zo over de weg door de stad te leiden. Hij is nog maar nauwelijks uitgesproken, de vierbaans snelweg duikt onder een viaduct door, of in tegenovergestelde richting komt ons een prachtige, kleurrijke karavaan trots dravende kamelen tegemoet, die minutenlang aanhoudt en zeker honderden dieren telt. We zetten geloof ik de auto stil om te kijken (of misschien komen we in een file terecht).
     Bij het postkantoor in het centrum wil Bart nog twee extra cheques uitschrijven. Het duurt lang en het loketje is klein. De man erachter is dik en zweet flink, ondanks de airconditioning hier. Hij bevraagt Bart over diens verblijfplaats in Caïro, noteert het antwoord op de achterkant en zet er diverse stempels overeen. Dat zullen ze bij de bank in Nederland handig vinden. Hij rekent uit, tweehonderd ponden minus de gebruikelijke twee procent commissie is honderdzesennegentig, minus nog eens tien procent... alstublieft, meneer! Bart legt me uit dat de salarissen van ambtenaren, waaronder ook de politieagenten, in dit land onder of ternauwernood op het bestaansminimum liggen.
     Ik raak verzot op de bananen. De talloze mij onbekende vruchten die stentjes op diverse straathoeken verkopen, wekken mijn verbazing, en ik probeer vele verschillende soorten onbekende vruchten maar ook limoenen, citroenen (!), sinaasappels en bananen. Oh, die bananen...! Ik herinner me dat er tenminste twintig verschillende soorten waren, waarvan vooral die kleine, bruinige, onooglijke banaantjes niet te versmaden waren. In het hotel is het limoensap niet aan te slepen voor me.


Bananen

Verschillende soorten bananen (foto door TimothyPilgrim).


Het is niet het favoriete uitstapje van Bart in Egypte, maar ik laat me een bezoek aan het Egyptian Museum niet ontnemen. Binnen zijn vooral Britten, Fransen en een enkele rijk geklede Egyptenaar. Ik let niet op ze en bewonder meters hoge beelden van farao's of goden, de indrukwekkende, uit het graf van Toetanchamon geroofde schatten, ontstellende hoeveelheden goud, edelstenen en oude sieraden, en niet in de laatste plaats het grote gebouw zelf, met hoge plafonds, ruime hallen met galmende echo's, en forse marmeren tegels op de vloer. Ik herinner me tientallen, misschien honderden mummies in meerdere zalen, soms met meerdere tegelijk in een vitrine, van dieren, kinderen, volwassenen, allemaal in verschillende staat van ontbinding, sommige met loshangende windsels. Eén van de kleine kinderen mist een buikwand. Op het plakkaat bij sommige van de bezienswaardigheden staat (niet gespeend van rancune) keurig vermeld in welk westers nationaal museum de ontbrekende stukken zich bevinden. Ik geniet van de hiëroglyfen overal.


Egyptian Museum in Caïro

Egyptian Museum in Caïro (foto door Gérard Ducher).


Op een ochtend word ik ziek wakker, niet de tweede ochtend van het verblijf zoals me was voorspeld dat met alle westerlingen in dit land gebeurt. Diarree natuurlijk. Die dag rijden we met de auto wat door de Nijldelta, en doen het van de stad afwijkende klimaat, de warme wind door mijn haren en het fraaie natuurschoon me opknappen. Ik zie dadelpalmen met volle trossen. Huizen van riet en modder. Polders met irrigatiekanalen ertussendoor, hoewel ze in geen enkel opzicht lijken op de Hollandse polders. En ibissen. Ergens in een dorpje in de buurt van Ismaylia stoppen we om wat eten te kopen.
     Langs de weg zit een oude man achter een grote stapel druiven. We willen veel en hij wil vast wel veel verkopen, dus woorden zijn overbodig. Wij kennen geen Arabisch en hij denkelijk geen Nederlands, maar dat is nergens aan te merken. Het vriendelijke, in het Nederlands gesproken "Goedemiddag, wij zouden van u druiven willen kopen" door Bart wordt beantwoord met minstens zo vriendelijke en onverstaanbare Arabische klanken door de verkoper. "Ja, een hele hoop graag!" reageert Bart. De hele ontmoeting lang blijven we vol wederzijds begrip met elkaar in 'gesprek' in Nederlands en Arabisch, alhoewel geen van ons de ander verstaat. De transactie slaagt. Grote, sappige, smaakvolle druiven.
     Natuurlijk laten we de piramiden en de sfinx niet onbezocht. Het formaat van de piramide van Cheops maakt enige indruk op me, maar verder valt het wel mee. Ik herinner me tal van stentjes met toeristische koopwaar en vele kamelen, waarop toeristen een ritje mogen maken. Het hoeft niet zo, maar later zal ik daar nog spijt van krijgen. We gaan de piramide niet in, hoewel dat sinds kort wel mogelijk is voor toeristen. Ik sta aan de voet van de piramide van Cheops en raak haar aan. De onderste stenen zijn heel veel groter dan ik had durven denken. De sfinx is sinds kort afgezet met hekken en kan niet worden aangeraakt.


De sfinx (van achteren)

Achteraanzicht van de sfinx (foto door Papillus).


Een maalstroom-alinea. Van tevoren gepland was een bezoek aan Beni Suef, waar Bart in voorgaande jaren veel gewerkt had, maar ik herinner me dat we er nooit zijn geweest en in El Fayum zijn beland. Bart zoekt er een man op die daar een huis laat bouwen, ik meen een Brit. Hij is iets ouder dan Bart, een jaar of zestig, en vertelt zonder op te scheppen dat hij zijn hele leven heeft gezworven en in ontelbare landen in de wereld heeft gewoond, maar dat Egypte het mooiste van al die landen is. Daarom laat hij hier, nabij de oase van El Fayum, zijn villa bouwen, om zich hier te vestigen en oud te worden. Het valt me op dat hij blank is en iedereen die aan de villa aan het werk is zwart. We rijden langs de Nijl en ik zie er enkele van de karakteristieke zeilboten varen. Aan de andere kant is het treinspoor. Alle passerende treinen zijn van balkon via coupé tot het dak afgeladen vol (net zoals de autobussen in de stad). Ik zie meer verongelukte, uitgebrande treinstellen langs de rails dan rijdende erop. Van een afstandje zien we de piramide van Sakkara, bijna vijftig eeuwen oud en wat mij betreft veel meer indrukwekkend dan die kolos van Cheops.


De Nijl

De Nijl (foto door Jerzy Strzelecki).


De piramide van Sakkara

De piramide van Sakkara (foto door David Mateos García).


Op de terugweg besluiten we dat ik de woestijn niet alleen moet zien maar ook meemaken, en Bart stuurt abrupt naar links. Na een tijdje rijden we een duin over, en is er inderdaad zover we kunnen kijken alleen maar zand te zien. Geen steen. Geen wolk. Geen grasspriet. Geen dier. Alleen zand, een horizon en een blauwe hemel. Veel verder moeten we niet gaan, concludeert Bart met een blik op onze watervoorraad, en het duurt toch nog een hele tijd voor we de juiste duin terugvinden en zicht krijgen op bebouwing. Leven! Het blijkt de dodenstad.


De woestijn

De Sahara, in Tunesië (foto door Elcèd77).


Op een dag vindt er in het hotel een huwelijksfeest plaats. Ze zien er westers uit, hij in een net pak en zij kleurrijk en feestelijk. Ik zie vrouwen theatraal uit hun dak gaan, hysterisch jubelend, huilend zelfs. Ik ontkom er niet aan me, alsof ik ze zou kennen, bij de bruiloftsgasten te voegen, en laat me verwennen met hapjes en drankjes.
     Het meisje in de bediening is prachtig mooi. Blijkens haar naambordje heet ze Moebarak, en Bart vraagt op een ochtend of ze familie is. Nee, gewoon een veel voorkomende naam in Egypte. Rare herinnering. Ach, ik herinner me ook het tapijt in de eetzaal en de tafels met het lopend buffet, de bar in de lobby en de receptie, de felle zon en het 's middags luieren, straathoeken, wolkenkrabbers en de pui van een nachtclub om de hoek, alles zonder mogelijkheid het te beschrijven.
     In verband met de hitte staan we graag vroeg op, maar op een dag is dat niet gelukt of vertrekken we om een andere reden pas in de loop van de ochtend. Als we de Niva naderen zien we al dat een band lek is. Moedig begint Bart aan het werk, waar hij pas tegen het heetst van de dag mee klaar is. Die dag doen we een poging om Alexandrië te bereiken. Maar de weg is slecht en de roadblocks veelvuldig, en misschien is er nog wel een reden waarom we omkeren en terugrijden.
     We gaan wel een dag naar Suez, misschien op dezelfde dag dat we door de Nijldelta reizen. We tanken in de stad, die op de pompbediende na uitgestorven is, en ik zie overal om me heen aan flarden geschoten flats en huizen. Bart rijdt me langs de grens met de (ik meen nog steeds gedemilitariseerde) Sinaï waar enorme kanonnen wiel aan wiel staan opgesteld, de loop dreigend de woestijn in gericht.


Suez in mei 1982

Suez in mei 1982.

De terugreis

Om de terugreis te bevestigen bezoeken we het KLM-kantoor in een wolkenkrabber in het centrum. Wat een idiote enclave hier. Het vliegtuig terug blijkt te vertrekken om een uur of vijf of zes 's ochtends, en Bart besluit dat het dan weinig zin heeft om nog te slapen (of misschien dat het moeilijk zal zijn in de ochtendspits Heliopolis te bereiken). Beter is het om al 's avonds de stad te verlaten en vervolgens 's nachts op het vliegveld onze vlucht af te wachten.
     Zo doen we. Bart zegt de taxichauffeur dat we alle tijd hebben, en deze vraagt ons meteen of we Sadats monument wel hebben bezocht. Daar houden we een eerste stop. Ik geloof dat het op de plek is waar hij werd neergeschoten, in elk geval een hoog en indrukwekkend monument tussen palmbomen naast een lichtelijk geëmotioneerde taxichauffeur.
     Er slapen veel mensen op het vliegveld. Misschien wonen ze er meer of minder permanent. Als de ochtend aanbreekt, stapt een man naar voren, spreidt een kleedje uit en begint luidkeels te zingen in de vertrekhal. Langzaam komen de slaperige moslims naderbij, keren zich naar het oosten, en bidden in een (min of meer geordend) gezamenlijk ritueel. Daarna delen de aanwezigen hun voedsel met elkaar. Een van de mannen heeft kip.
     Omdat het verboden is het geld uit te voeren, geven we de laatste Egyptische ponden op het vliegveld uit. Ik neem één biljet van een pond mee (sinds lang verdwenen of vergaan).
     We worden afgehaald door een collega van Bart. Het eerste wat me opvalt na terugkeer in Nederland, nog in de auto, is het meer dan nette gedrag van de verkeersdeelnemers op de snelwegen rond Amsterdam. Mensen rijden rechts en toeteren niet!
     Enkele maanden na onze terugkeer in Nederland lezen we in de krant van hevige rellen in Gizeh die meerdere dagen duurden, als gevolg van een demonstratie van politie-agenten tegen een vermindering van hun salaris. Loyale troepen schoten met scherp op de menigte en doodden meen ik tientallen. Vele gebouwen waren in de ongeregeldheden in vlammen opgegaan, waaronder ook het complete Mövenpick Hotel.

Utrecht, vrijdag 23 mei tot zaterdag 16 augustus 2003


naar het begin van de bladzijde