home
Home

 

persoonlijk
Persoonlijk

 

muziek
Muziek

 

geofictie
Geofictie

 

Muka
Muka

 

verhalen
Verhalen

 

foto's
Foto's

 

colofon
Colofon

Banen

Iedereen gaat maar voort. Alsof ze het van hun eigen god zelf te horen hebben gekregen. Er is geen stoppen aan. Als je stilstaat haalt iedereen zijn of haar neus op en gaat aan je voorbij. "Dat is niet de afspraak, de goddelijke opdracht... lopen, kreng!" De verbazing bij afwijkende opvattingen, oorspronkelijk gedrag. De enige reden dat het gebeier mijn rust verstoort is de traditie.
     Contact is dan uitgesloten. Een welgemikte blik in het voorbijgaan is al veel. "The pushing of the people, I like it all so much." Waar ze ook heen willen, ik wil niet mee. Zolang ik doelloos rondzwerf, kan er niks fout gaan. Goed ook niet. Het gaat zoals het gaat.
     Ze laten me aan een takel zakken in een veel te groot bad. Langs de kabel omhoog klimmen wordt me niet gegund. Voor ik het weet ga ik kopje onder. Buiten het bad is geen hulp, binnen het bad geen mens. Ieder zwemt eigen rondjes in zijn of haar eigen bad, liefst met het hoofd onder water. Het gaat erom wie het meeste water verplaatst. Ik blijf dicht bij de kant en probeer zo weinig mogelijk te bewegen. Wie heeft er besloten dit bad vol water te doen en waarom? Omdat niemand zich een bad zonder water kan voorstellen. Hoe kun je dan verplaatsen? Dan niet.
     Ik analyseer de banen die ze trekken, allemaal hetzelfde. Ze worden boos als ik het zeg. "Nee hoor, ze zijn allemaal anders, mijn eigen baan ja!" Ja, wat is u creatief zeg, zo creatief als alle anderen! Echt waar!
     Alleen buiten het bad ontwaar ik soms een mens. Als ze niet te dichtbij komen. In het bad zwemmen slechts voorgeprogrammeerde, gelovige machines. Tussen de spanten van het dak zie ik gelukkig vogels vliegen. Ik geniet van de zon, de geur en het uitzicht. Ik ken het bad goed genoeg om te weten dat ik er niet uit kan. Niet uit mag. Niet uit dit bad.
     Zo nu en dan zwemt iemand tegen me op. Ik knik beleefd met mijn hoofd en word in antwoord vervloekt. Als ik ze omarm ben ik plat, als ik ze negeer cynisch. Nee, ik hou niet van je. Ik hou van niemand. Ik ben een mislukte nul. Wat doe ik hier? Wil iemand me hieruit takelen? Nee, ze willen alleen water verplaatsen. Verplaats maar, zwem maar, zweet maar. Ik doe niet mee.
     Blikken vallen langs of door me heen. Gezichtsuitdrukkingen zijn uit den boze, zelfs lichaamstaal mag alleen heel verhuld en subtiel. Iedereen is onnoemelijk ontevreden over zijn of haar gezellen, en totaal tevreden met zichzelf. Tja, het gaat ofwel goed ofwel fout. Ze slagen of ze zinken. Er zijn geen alternatieven. Ik zit inmiddels op de rand, schud mijn hoofd en zoek een balk.
     Er komt iemand binnen met een groot bord. Terwijl hij het aan de muur hangt, lees ik de tekst. "Trouw." Hij gaat er pontificaal onder staan en groeit dankzij de tekst twee meter in lengte. Hij lacht zelfgenoegzaam, terwijl zich in mijn hoofd negenenzestig vragen om voorrang verdringen. Aan de andere kant vat iemand post onder een bord met daarop het woord "liefde" en wacht. Daarna volgen nog "vrede" en "verzoening." Allen wachten lachend, en groeien. Alle anderen juichen. In wat voor bizar rariteitenkabinet ben ik verzeild geraakt?
     Niemand is voldoende oprecht om zich te laten penetreren, niemand heeft voldoende durf om een ander te penetreren. De angst is te alomvattend, de muren zijn te dik. Ik loop naar buiten en ga in wanhoop op het grasveld zitten. Ik moet in de buurt blijven, maar ik heb teveel machines gezien en probeer ze voortaan te ontwijken. De geluiden zijn mooi, de zon is lekker warm. Er loopt een poes. Ik verzin onverwachte doorgangen en bizarre vrijplaatsen. Da's al.
     Niemand vraagt waarom. Niemand vraagt hoe. Niemand vraagt wie. Kan het mij schelen. Ik trek baantjes in het grasveld. Toch kijk ik nog steeds vol verwachting op als iemand me nadert. Een enkeling vraagt: "Ben ik mooi?" Maar niemand luistert. Bijna iedereen die geen banen trekt draagt een bord met tekst om zijn of haar nek.
     In de verte zie ik de Demiurg, bijna stikkend in een lachstuip die zijn vette buik op en neer doet schudden. Als ik hem nader, houdt hij een bord omhoog: "Ben ik goed?" Ik blaf hem toe: "Schijt aan de kerk! Schijt aan jouw kerk!" Van schrik werpt hij het bord ver van zich af. Dan barst hij weer in lachen uit. De tranen rollen hem over de wangen. Dàt is waterverplaatsing.

Utrecht, vrijdag 19 juli 2002


naar het begin van de bladzijde