home
Home

 

persoonlijk
Persoonlijk

 

muziek
Muziek

 

geofictie
Geofictie

 

Muka
Muka

 

verhalen
Verhalen

 

foto's
Foto's

 

colofon
Colofon

English (Engels)De slag om Emodon

In de tijd waarin dit verhaal zich afspeelt, de elfde eeuw van het derde tijdvak, ligt het land Entneo nog in het noorden van Gmune aan Vrituneab, en heeft als hoofdstad Olfir. Ubilan bestaat uit twee gedeelten: een zuidelijk deel rond de Bergen van het Vertrouwen en een noordelijk deel op het Aronol-schiereiland. Maar de soldaten van koningin Dnu van Entneo zijn bezig langzaam naar het zuiden te trekken, en willen ook Emodon, een stad die dan nog bij Ubilan hoort, veroveren.

De inwoners van Emodon die die ochtend vroeg op waren en de mensen die het die nacht laat hadden gemaakt zagen ze als eersten aankomen. Het was nog donker, maar aan de horizon gloorde het daglicht al. Over de velden hing een kille mist en het was windstil.
     Maar uit het noorden kwam een geluid dat de stilte ruw doorbrak. De hemel in het noorden bleef aardedonker, en er was een geluid als van aanrollende donder. De weinige mensen die buiten waren, keken er verbaasd naar. Sommigen bleven verstijfd staan en vermoedden het allerergste.
     In de uren die volgden kwam de oorzaak van de angst van de mensen langzaam dichterbij, en na enkele uren was al beter te zien wat er stond te gebeuren. De zon was opgekomen, en probeerde uit alle macht de noordelijke hemel te verlichten. De meeste inwoners van de stad bleven doodstil staan, hun gezicht naar het noorden, turend naar het naderende onraad.
     Daar kwamen de soldaten van Entneo. Soldaten waarover in de afgelopen tijd al zoveel was gespeculeerd. De soldaten waar zo'n onbegrip en zo'n angst voor bestond. Men zei dat koningin Dnu van Entneo een heus leger had getraind, en dat zij van zins was het gehele noorden van Ubilan met geweld te veroveren.
     "Maar hoe komt ze dan aan al die soldaten?" werd gevraagd.
     "Ach," was dan het antwoord, "ze geeft ze eten, drinken en onderdak, en daarvoor vechten de Entneoaf blijkbaar graag."
     "Maar waarom wil ze dan Ubilan veroveren?"
     "Omdat ze vindt, en de Entneoaf met haar, dat het hele schiereiland van het Aronol-gebergte tot Entneo behoort. En ze heeft diepe minachting voor de Ivodise religie."
     "Gaat ze de Ivodise religie aanvallen?" was dan altijd de vraag, maar daarop kwam nooit antwoord. De mensen herinnerden zich allen de mislukte zoektocht van Drebnustr Dnu, één van de voorgangers van de huidige koningin, naar de kennis der goden van de Ivodise religie en het daaropvolgende afzweren van die religie door de koning van Entneo. En de mensen wisten dat Drebnustr daarop de zogenaamde Entneose religie in het leven had geroepen.
     Aan de andere kant konden de mensen zich niet indenken hoe de Ivodise religie aangevallen kon worden. Zelfs met de volledige vernietiging van Ivodi en Ubilan zou de Ivodise religie nog niet verloren kunnen gaan, meenden zij. De Ivodise religie zetelt in de mensen, niet in Ivodi.
     De soldaten van Dnu waren nu duidelijk te zien. Aan de rand van de stad stonden de inwoners van Emodon, en tegenover hen zagen zij een groot leger oprukken naar hun stad. Het leger liep in keurige rijen, en alle soldaten waren gelijk gekleed. Het ijzer van hun wapenuitrusting blonk de stad tegemoet. De soldaten waren allen aan het zingen op het ritme van hun passen, die zij allemaal tegelijk maakten. Allen droegen een helm, allen hadden ijzeren platen op de borst, en allen hadden een zwaard bij zich. Voorop liep iemand met een rood vaandel, en vlak daarachter iemand met een soort fluit. De stoet kwam recht op de onverdedigde stad af.
     Er ontstond paniek onder de mensen, bij het zien van zovele vechtlustige ijzeren mensen. "Wat moeten we beginnen?" riepen sommigen in wanhoop uit. Maar anderen antwoordden daarop: "Niets. Wat kunnen we doen?" En de ijzeren mensen kwamen almaar nader.
     Slechts een enkeling hield het hoofd koel en dacht aan de laviomin, de goddelijke boodschappers, die misschien zouden willen helpen. Nog nooit hadden de laviomin zich in gevechtshandelingen betrokken, maar misschien was er hoop temidden van zoveel onrecht. En enkele inwoners van Emodon riepen zachtjes laviomin op.
     Zo was daar Eblnomur, de herbergier van De Dansende Iuniln, een bekend persoon in Emodon in die tijd. Eblnomur was een kleine man met een heel lange baard, en als gastheer van de grootste herberg in de stad kende hij de meeste mensen. Hij was een man die veel waarde hechtte aan de Ivodise religie, en die bovendien veel van zijn stad hield. En hij vond dat juist in deze tijd van moeilijkheden de laviomin tot taak hadden de mensen bij te staan. Dus trok hij zich terug in zijn huis, wilde niet langer de ijzeren mensen zien aankomen, en begon zachtjes te bidden. Eerst tot Iulgia, god van de laviomin, en daarna tot alle laviomin die hij bij naam kende.
     Eblnomur was niet de enige die was gaan bidden. Ook op de velden buiten de stad, in het gezichtsveld van de legers van Entneo, lagen mensen te bidden tot de goden en de laviomin, temidden van alle angst.
     En zie, daar verscheen in het centrum van de stad de laviog Thudro, en de laviog Asnir Nas, en Ghodr was bij hen, en Evliornistr en Xuntravimnomdr en Strivihaadon en Metrunst en Mindruveog. En terwijl het leger van Dnu steeds dichterbij kwam, verzamelden zich in Emodon steeds meer laviomin, die zeiden de inwoners van de stad te willen bijstaan. En bij hen waren enige onsterfelijke laviomin en zij besloten op het leger af te gaan.

Het leger had zich nu opgesteld op het veld buiten de stad. In een halve cirkel stonden de soldaten om de stadspoort heen. Vooraan stonden soldaten, tot de tanden bewapend met zwaarden en messen, en geheel gekleed in ijzer. Daarachter, ook in een halve cirkel, stonden boogschutters, gekleed in pakken gemaakt van ijzeren ringen. In totaal waren er misschien wel duizend soldaten. Helemaal achteraan stonden soldaten met fluiten en vaandels, en de Entneose generaals. De inwoners van Emodon trachtten koningin Dnu te ontwaren, maar zagen haar niet en vermoedden dat zij in Olfir gebleven was.
     Pas toen zag men de enorme installaties die achter het leger opgesteld waren. Grote katapulten van hout, met werparmen van zeker drie mensen lang, stonden verdekt tussen de bomen rond Emodon. Het was een angstaanjagend gezicht, de grote machines, beschermd door bomen, opgesteld tegen een gitzwarte lucht.
     Eén van de Entneose generaals trad naar voren, ging wijdbeens voor de soldaten staan en maande tot stilte. De inwoners stonden nog achter de poort van hun stad, en ondertussen waren er zeker dertig laviomin aanwezig. Zij waren rond de poort gaan zitten, en wachtten af wat er zou gebeuren. Toen sprak de generaal.
     "Emodonaf. Um purzinon uvarioxuli." (Wij zijn hier gekomen in vrede). Het bleef stil. De generaal sprak een mengsel van het Izoar en het Irbiox, en veel zinnen sprak hij ook in beide talen. Er mochten over zijn boodschap geen misverstanden rijzen. En hij vervolgde: "Wij zijn gekomen om jullie kennis te laten maken met de staat Entneo. Mijn naam is Paosni, en ik ben generaal van het machtigste leger van Gmune. Als wij willen, kunnen we de hele bekende wereld aan ons gezag onderwerpen." Even bleef Paosni stil, hoopte waarschijnlijk de inwoners van de stad te imponeren. Maar hij wekte alleen afschuw op, en sommigen wendden zich al van hem af en wilden niet meer luisteren naar wat hij te zeggen had.
     "Maar dat doen we niet," suste de generaal, "Dnu neemt alleen wat haar rechtmatig toebehoort. En het Entneose schiereiland, waar ook jullie wonen, behoort aan Entneo. Het is ons bezit." Van de stilte die viel maakte Ghodr de laviog gebruik door op te merken: "Het land behoort niemand toe."
     Hij zei het zachtjes, maar toch net hard genoeg, zodat Paosni het kon horen. Maar ook de mensen uit Emodon begonnen nu te spreken. "Hoe bedoelt ie: behoort aan ons toe?" vroeg men. En: "Het Entneose schiereiland? Dat heet al sinds mensenheugenis het Aronol-schiereiland."
     De generaal deed een paar passen voorwaarts, maar stond stil toen enkele van de laviomin opstonden. "Laat mij door," sprak hij. "Ik kom in opdracht van de eeuwiglevende koningin Dnu van het Entneose Rijk." Zijn stem klonk vastberaden, maar in zijn ogen was twijfel te lezen. De man was in zijn gezicht dicht behaard, maar bovenop zijn hoofd was hij kaal. Hij droeg geen helm. Bij het spreken zwaaide hij heftig met zijn armen. "In naam van de eeuwiglevende koningin Dnu beveel ik jullie: ga uit de weg. Ik breng jullie voorspoed en geluk. Jullie zouden dankbaar moeten zijn dat we zijn gekomen. We brengen jullie een eerlijke rechtspraak, zekerheid in jullie bestaan, geloof in de macht van de koningin." En Paosni wilde verderlopen.
     "Halt, Paosni," riep nu Strivihaadon met besliste stem. "Loop geen pas verder. Als je denkt deze mensen jouw geloof op te kunnen dringen, dan heb je het mis. Ze zijn er niet van gediend. We hebben geen behoefte aan jouw rechtspraak, aan zekerheid, of aan geloof in aardse zaken. We vragen slechts rust. We willen dat je weg gaat, en ons voor altijd met rust laat. Ga! En vertel je koningin dat Emodon zich niet aan haar, noch aan iemand anders, wenst te onderwerpen. Al eeuwenlang leven deze mensen hier, en ze zijn gelukkig. Wie ben jij om te denken dat je hun situatie kan verbeteren? Wie ben jij om te denken dat je hun situatie mag veranderen? Hoe kom je op het idee dat er iemand zou zijn die dit land in zijn bezit heeft? We willen je niet! Ga nu!"
     De mensen vielen de laviog bij, maar Paosni dacht er anders over, draaide zich naar zijn leger, en riep: "Hoorden jullie dit mannetje onze eeuwiglevende koningin beledigen? En staan wij dat zomaar toe?" Hierop barstte het leger in gejoel uit. Soldaten stonden op en controleerden of hun harnas stevig vast zat, en anderen grepen naar hun wapens. En toen riep Paosni: "Voorwaarts, mannen, in naam van de eeuwiglevende koningin Dnu van het Entneose Rijk!"
     De stedelingen raakten hevig bevreesd door deze plotselinge uitval van de generaal, en door de blijkbare vechtlust van de soldaten, en velen vluchtten de stad in, naar hun huizen toe. Maar de laviomin stelden zich voor de poort van de stad op, en bleven staan waar ze stonden. "Laat ze maar komen," zei Evliornistr.
     Emodon nu had geen stadsmuur. Vlak buiten de stad stond wel een poort in het veld, maar die stond daar slechts als welkomstpost. Een bijzondere poort, doordat hij gebouwd was van steen, in de vorm van twee tegen elkaar aanleunende bomen. Bovenop stond de naam van de stad te lezen, en de hoogte van de poort was zeker vijf mensen. Maar de enige verdediging waar Emodon op kon hopen, was de gracht om de stad. Buiten de stad om liep een gracht van ongeveer vier mensen breed, alleen gedeeltelijk onderbroken in het zuiden, en in het noorden daar waar de poort stond. Onder de poort hadden zich nu de laviomin opgesteld.
     Vanuit de verte vuurde een boogschutter een pijl op de laviomin af en raakte Strivihaadon in zijn bovenbeen. Maar de laviog, hoewel al erg oud, viel niet maar pakte de pijl beet en trok hem uit zijn vlees of het een speld was. Even schrokken de Entneose soldaten, maar al snel werd op Xuntravimnomdr een brandende pijl afgeschoten, die hem in de buik raakte. Het vuur doofde direkt, en ook Xuntravimnomdr trok de pijl uit zijn buik alsof hij het niet voelde.
     De soldaten kwamen niet dichterbij. Ze bemerkten een dwingende macht die het hun verbood. Een macht die groter was dan die van hun koningin. Hoe Paosni ook schreeuwde dat ze door moesten gaan, geen van de soldaten durfde, en enkelen begonnen zich zelfs terug te trekken. De laviomin bleven de soldaten strak aanstaren.
     Uiteindelijk gaf Paosni het bevel terug te trekken van de poort van Emodon, en de soldaten keerden weer terug naar het bos.

Daar aangekomen hergroepeerde het leger, en overlegde wat ze moesten doen. Aanvallen was het bevel van de koningin geweest. Maar met die laviomin erbij? Nog nooit hadden mensen laviomin gezien die de inwoners van een stad verdedigden, maar deze keer was het echt waar. En ze waren machtiger dan menig mens.
     De inwoners van Emodon ondertussen begonnen hard verdedigingswerken te bouwen. Sommigen waren druk bezig de gracht te verbreden, en met de grond die ze opgroeven wierpen ze aan de binnenkant van de gracht een wal op. Maar anderen wilden eerst hun eigen huis in veiligheid stellen, en barricadeerden de deuren en ramen. Nog weer anderen tenslotte maakten zich gereed om te vluchten, pakten het hoogst nodige in en vertrokken naar het zuiden. Maar weinig mensen bekommerden zich om het verloop van de strijd bij de poort, om de laviomin die zich daar als een levend schild hadden opgesteld.
     Zo kwam het ook dat toen de laviomin de stad inkwamen, zij zagen dat de wal die de mensen wilden opwerpen, nog lang niet klaar was. Vlak bij de poort lag al wel een gedeelte, nauwelijks hoger dan een mens, maar aan de zijkanten en in het zuiden van de stad was nog niets van verdediging te bekennen. Langs het zuiden van de stad vluchtten vele mensen bepakt en bezakt naar buiten.
     Ondertussen kon men het geschreeuw van de Entneose soldaten buiten de stad horen, en men bemerkte dat de katapulten het bos uit werden gereden en in gevechtspositie werden gebracht. Onder de beschutting van de bomen vandaan leken ze nog groter dan eerst. Er waren er zes in getal, en ze werden rondom de stad opgesteld.
     De inwoners van Emodon stopten met hun werk, en keken er naar, vervuld met angst. Wat moest er van hen worden? En van hun stad? Zouden al hun verwachtingen, dromen en hoop in één dag vernield worden? De mensen dachten aan hun kinderen, die ze groot wilden brengen. Hun landerijen, waar ze hun hele leven gewerkt hadden. Hun huizen, waar ze hun hele leven gewoond hadden. En weinigen hadden nog geloof in de laviomin. Niemand geloofde nog dat de laviomin werkelijk iets konden of wilden doen tegen zulke enorme katapulten, tegen een zo grote overmacht. Wie had immers ooit de laviomin geweld zien gebruiken? Wat zouden ze kunnen uitvoeren?
     En terwijl de mensen dit dachten, begonnen de laviomin langzaam, één voor één, de onsterfelijken het eerst, te verdwijnen. Laviomin bestaan alleen bij de gratie van het geloof van de mensen in hen. En als dat geloof verdwijnt, zoals nu gebeurde, dan verdwijnen ook de laviomin. Op het laatst was alleen Mindruveog nog aanwezig, omdat hij stond te praten met een van de inwoners van de stad. Maar op het moment dat de eerste stenen door de katapulten afgeschoten werden, verdween ook Mindruveog in de lucht.
     Tegelijk vuurden de katapulten hun projektielen af; zware stenen die de Entneoaf in het bos hadden gevonden. En de eerste stenen kwamen neer op de wal, en vernielden deze of hij van papier gemaakt was.
     Maar andere stenen kwamen neer op huizen of op inwoners van Emodon, en richtten een ware slachting aan. Overal was bloed, overal lagen mensen in de straat, en anderen lagen er omheen te wenen. Kleine kinderen werden getroffen door een tweede aanval, oude mensen door een derde aanval, en een vierde aanval raakte de wal weer.
     Temidden van alle paniek en temidden van deze enorme slachting reden de ijzeren mensen hun katapulten naar de gracht van de stad toe, en gooiden ze over het water heen, zodat ze een brug vormden waarover zij de stad in konden. En andere soldaten stormden Emodon binnen door de poort, en begonnen wild om zich heen te slaan met zwaarden en messen. Het was de meest zwarte dag uit de geschiedenis van deze eens zo vredelievende stad.

Buiten de stad zaten nog enkele laviomin hoofdschuddend toe te kijken.
     "Hebben ze het werkelijk verdiend?" vroeg Thudro aan Strivihaadon.
     "Dat weten alleen de goden, mijn vriend," antwoordde deze. "Wij moesten echt weg. De betrokkenheid van de mensen was verdwenen. De mensen dachten niet meer aan ons, en geloofden niet meer dat wij ze hadden kunnen redden. Alle mensen die wij zagen, renden liever met vele bezittingen weg, dan zich te realiseren dat wij ze zouden kunnen redden. En als dat eenmaal zo is, dan kùnnen wij ze ook echt niet meer redden."
     "Maar ik had zo graag een van die stenen in een bos bloemen veranderd, of in een regenbui," zei Thudro. En de laviomin verzonken in diep gepeins, terwijl ze toekeken hoe de soldaten lachend de stadsmuur neerhaalden, en de laatste inwoners ombrachten.
     Ook Eblnomur, de moedige herbergier van Emodon, werd omgebracht door de ijzeren mannen. De laviomin hoorden hem nog de naam van Iulgia roepen, maar er kwam geen antwoord. Emodon was voor altijd van de soldaten van Entneo. Uiteindelijk werd de stad in brand gestoken, en er bleef niets dan een zwarte plek in het grasland van over. En de hemel bleef die hele dag duister, en nog vele dagen erna. De zon kon boven Emodon niet meer doorbreken.
     En toen beweenden de laviomin het ongeluk van Emodon en de inwoners, en Xuntravimnomdr zong zachtjes een lied, voordat zij weggingen van de voor altijd verloren stad.

september 1991


naar het begin van de bladzijde